BAC 2025-15937
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 mei 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 17 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 12 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De heer (naam) (hierna: gemachtigde) heeft namens mevrouw (naam) (hierna: belanghebbende) bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 mei 2024 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2013 tot en met 2019 is gebleken van fouten met betrekking tot de toeslagjaren 2013, 2015 en 2016 en dat belanghebbende daarom recht heeft op een compensatiebedrag van € 40.710.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 16 juni 2022 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, recht heeft op een betaling van € 30.000.
- Op 12 april 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2014 en 2017 tot en met 2019 geen herstelregeling van toepassing is. Voor de toeslagjaren 2013, 2015 en 2016 is de compensatieregeling wel van toepassing.
- Bij brief van 21 mei 2024 is het bestreden besluit genomen.
- Bij brief van 11 juni 2024 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- Op 15 juli 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 17 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 16 april 2026 heeft UHT aanvullende stukken ingediend. Gemachtigde heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om hierop te reageren.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Schending motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover sprake is van gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in de beschouwing is opgemerkt.
Ontbrekende stukken
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 6 EVRM ‘equality of arms’
De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in zijn procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ zoals genoemd in artikel 6 EVRM, geschonden zou zijn. De
Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2014, 2018 en 2019 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van een gewijzigd toetsingsinkomen, wijzigingen in het uurtarief en minder afgenomen opvanguren. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.
Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
Toeslagjaar 2017
De KOT voor 2017 is automatisch gecontinueerd. Op 31 december 2016 is de KOT voor 2017 (voorlopig) vastgesteld op € 33.948. Op 21 februari 2017 is de KOT voor 2017 opnieuw berekend en (voorlopig) vastgesteld op € 27.285. Op 21 maart 2017 is de KOT voor 2017 opnieuw berekend en (voorlopig) opwaarts vastgesteld € 30.604. Op 22 mei 2017 is de KOT voor 2017 (voorlopig) vastgesteld op € 30.095. Op 25 mei 2018 heeft belanghebbende een antwoordformulier met bewijsstukken opgestuurd. Op 31 augustus 2018 heeft B/T de KOT verkeerd aangepast: 10 uur in plaats van 66 opvanguren voor een kind. Dit wordt ook erkend als een administratieve fout. De KOT voor 2017 is op 12 oktober 2018 definitief (onjuist) vastgesteld op € 19.753. Belanghebbende moest toen € 10.458 terugbetalen. Hiertegen is bezwaar gemaakt op 31 december 2018. Vervolgens is het recht op KOT voor 2017 op 8 maart 2019 aangepast en definitief vastgesteld op € 23.163.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2013, 2015 en 2016 is gecompenseerd wegens vooringenomen handelen. In die toeslagjaren zijn dus fouten gemaakt waarvoor belanghebbende is gecompenseerd.
In 2017 is een fout gemaakt door een onjuiste verwerking van de kinderopvang-gegevens. Belanghebbende werd hierdoor geconfronteerd met een (onterechte) voorgenomen terugvordering van € 10.458. Dit heeft gedurende een periode van vier maanden haar dreigend boven het hoofd gehangen. De Commissie acht het voorstelbaar dat dit heeft geleid tot gevoelens van stress en wanhoop.
De Commissie is daarom van oordeel dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat belanghebbende gecompenseerd dient te worden op basis van hardheid van het stelsel. Dat er geen daadwerkelijke invordering heeft plaatsgevonden doet aan het voorgaande niet af.
Dit heeft tot gevolg dat de compensatieberekening opnieuw moet worden berekend.
Aanvullende compensatie
De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, als vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen. [1]
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
[1] Aanvullende schade | Schadeherstel Toeslagen
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bestreden besluit te herroepen zoals voorgaand is overwogen;
- de overige bezwaren ongegrond te verklaren;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter