Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15936

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 april 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: Niet gehouden

Overdracht advies aan UHT: 5 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.167,- voor het jaar 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2008, 2009, 2011, 2012 en 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011. Na overleg met belanghebbende zijn ook de toeslagjaren 2012 en 2013 herbeoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 januari 2024 aan de Dienst Toeslagen toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt, dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2007 tot en met2009 en  2011 tot en met2013 Voor toeslagjaar 2010 is de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 onderdeel a Wht van toepassing. De zienswijze van belanghebbende heeft niet tot een ander oordeel geleid (oordeel van 3 april 2024).
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.167,- voor toeslagjaar 2010. Dit bedrag is lager dan het op grond van de Catshuisregeling al toegekende bedrag. Geen compensatie is toegekend voor de jaren 2007, 2008, 2009, 2011, 2012 en 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 22 mei 2024, ingekomen op 22 mei 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 13 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 april 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 13 mei 2026 met een aanvullende beschouwing schriftelijk gereageerd op het aanvullende bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om binnen twee weken te reageren op de aanvullende beschouwing van UHT.
  • Gemachtigde heeft aangegeven dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Dossier
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

FSV, O/GS en discriminatie
Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt. De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar. De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in de beschouwing heeft toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandig-heden is deze stelling niet aannemelijk geworden. Wel adviseert de Commissie dat UHT dit onderbouwt met een schermafdruk waaruit blijkt op welke informatie is gezocht en dat die gezochte informatie niet is gevonden. Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken. De Commissie adviseert UHT de bezwaren ongegrond te verklaren.

Code ‘HOTHOR’
Belanghebbende voert aan dat in het RKT-bestand staat dat zij in het HOTHOR (hoge toeslag, hoge risico) systeem is opgenomen, maar daarvan nooit in kennis is gesteld. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor een HOTHOR signalering dan personen met een Nederlandse achtergrond.
Volgens belanghebbende is zij daarom gediscrimineerd. Als dat volgens B/T niet zo is, dan is het aan B/T om dit aan te tonen. In het geval van belanghebbende is een aantal keren - zo blijkt uit het bezwaardossier - het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico - toegevoegd. Jaarlijks worden door B/T aanvragen voor KOT behandeld die een HOTHOR-signalering (Hoge Toekenning, Hoog Risico) hebben. HOTHOR ontstaat wanneer op basis van een aanvraag of wijziging van KOT een toeslagbedrag wordt berekend dat boven de vastgestelde norm van € 20.000 uitkomt. In dat geval komt een automatische melding in het systeem. Er wordt dan een handmatige controle uitgevoerd om te kijken of de aanvraag of wijziging juist is opgegeven. Een dergelijke risico inventarisatie wordt volledig automatisch toegepast bij iedere burger bij het passeren van het normbedrag van € 20.000 en betreft een vorm van regulier toezicht. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van discriminatie is, uit de ter beschikking staande stukken en de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden, onvoldoende gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Werkelijk geleden schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOIviewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die  aan de juistheid van die informatie doen twijfelen. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht  die twijfel wekt aan de juistheid van de informatie. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.  De Commissie stelt vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Omissies / niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen.
Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor een enkel jaar vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007
De Commissie overweegt dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2007 geen recht heeft op compensatie. De Commissie constateert dat B/T na de aanvraag en wijziging van belanghebbende eerst aanvullende gegevens nodig had en vervolgens heeft geprobeerd de aanvraag te verwerken. Dat de eerste voorschotbeschikking pas op 30 mei 2008 is genomen, geeft daarom geen aanknopingspunt voor vooringenomen handelen. De latere neerwaartse correctie naar € 3.300 vond plaats naar aanleiding van door belanghebbende verstrekte facturen en betreft een reguliere bijstelling. Ook daarin ziet de Commissie geen vooringenomen handelen van B/T.

De Commissie overweegt dat  geen aanleiding is te oordelen dat het stelsel in dit toeslagjaar te hard heeft uitgewerkt. De bijstelling hield verband met de beoordeling van het recht op KOT aan de hand van de beschikbare gegevens.
Voor zover belanghebbende aanvoert dat de KOT destijds te laag is vastgesteld, valt die beoordeling buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie  zie geen aanleiding om te adviseren dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de ongerechtvaardigde aanname dat zij door haar opzet of grove schuld ten onterechte  teveel KOT heeft ontvangen. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2008
De Commissie overweegt dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2008 geen recht heeft op compensatie. De Commissie constateert dat de latere afgifte van de voorschotbeschikking samenhing met de verwerking van de aanvraag en wijzigingen over toeslagjaar 2007 en dat B/T ook voor 2008 heeft geprobeerd de beschikking door te zetten. Dat de gecontinueerde voorschotbeschikking pas op 10 maart 2008 is afgegeven, geeft geen aanknopingspunt voor vooringenomen handelen. Voor zover belanghebbende aanvoert dat de hoogte van de KOT te laag is vastgesteld, valt die beoordeling buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat het stelsel in dit toeslagjaar te hard heeft uitgewerkt.  De Commissie ziet geen aanleiding om te adviseren dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de ongerechtvaardigde aanname dat zij door haar opzet of grove schuld ten onterechte  teveel KOT heeft ontvangen. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2009
De Commissie overweegt dat de stelling van belanghebbende dat de KOT te laag is vastgesteld niet tot compensatie kan leiden. In de herstelprocedure wordt beoordeeld of sprake is geweest van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GSkwalificatie. De herstelprocedure is niet bedoeld om opnieuw te beoordelen of de KOT destijds op het juiste bedrag is vastgesteld. Daarbij geldt dat B/T niet de volledige opvangkosten vergoedt, omdat belanghebbende zelf een eigen bijdrage verschuldigd blijft. De door belanghebbende gemaakte berekening geeft daarom geen aanleiding voor een ander oordeel. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2010
De Commissie constateert dat de beslissing op bezwaar, zoals belanghebbende aanvoert, inderdaad niet is gearchiveerd, maar dat uit de stukken blijkt dat B/T de KOT naar aanleiding van de door belanghebbende ingediende stukken heeft verhoogd naar € 10.863. Dat de maand april 2010 niet is meegenomen, houdt verband met het ontbreken van een factuur over die maand. Dit geeft geen aanknopingspunt voor het aannemen van vooringenomen handelen.
De Commissie overweegt dat de stelling dat de KOT te laag is vastgesteld niet tot verdere compensatie kan leiden. De herstelprocedure is niet bedoeld om opnieuw te beoordelen of de KOT destijds op het juiste bedrag is vastgesteld. Daarbij geldt dat B/T niet de volledige opvangkosten vergoedt, omdat belanghebbende zelf een eigen bijdrage verschuldigd blijft. De Commissie ziet geen aanleiding de berekening in het bestreden besluit aan te passen en adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2011
Belanghebbende voert aan dat de definitieve beschikking (te) laat is afgeven.
De Commissie  is van oordeel dat de omstandigheid dat de definitieve beschikking laat is afgegeven op zichzelf niet maakt dat B/T vooringenomen heeft gehandeld of het stelsel te hard heeft toegepast. De  stelling van belanghebbende dat de KOT te laag is vastgesteld kan niet tot compensatie leiden, omdat de Wht ziet op herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet op herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Daarbij geldt dat B/T niet de volledige opvangkosten vergoedt, omdat belanghebbende zelf een eigen bijdrage verschuldigd blijft. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012
De omstandigheid dat de definitieve beschikking laat is afgegeven is op zichzelf geen aanknopingspunt biedt voor het aannemen van vooringenomen handelen.
De KOI-gegevens zijn opgenomen in het dossier en uit de stukken blijkt dat B/T de KOT in het voordeel van belanghebbende heeft vastgesteld.
De Commissie overweegt voorts dat de stelling dat de KOT te laag is vastgesteld niet tot compensatie kan leiden. De Wht ziet op herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet op herziening van de destijds vastgestelde hoogte van de KOT. Daarbij geldt dat B/T niet de volledige opvangkosten vergoedt, omdat belanghebbende zelf een eigen bijdrage verschuldigd blijft.

De Commissie constateert dat niet is gebleken van een onterechte O/GS-kwalificatie over dit toeslagjaar of dat belanghebbende een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2013
De Commissie constateert dat B/T mocht uitgaan van de door de kinderopvang-instelling verstrekte informatie dat belanghebbende voor het betreffende kind geen opvang meer afnam. Belanghebbende heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen die stopzetting. Daarbij is nog van belang dat uit de KOI-gegevens volgt dat de opvang al per augustus 2012 was beëindigd en dat belanghebbende in 2013 geen wijziging heeft doorgegeven. Niet is gebleken van duidelijk in een andere richting wijzende gegevens op grond waarvan B/T aan deze informatie had moeten twijfelen. Er is geen aanknopingspunt om te oordelen dat het stelsel in dit toeslagjaar te hard heeft uitgewerkt. Voor  de over januari en februari 2013  toegekende KOT volgt uit de stukken dat daarop geen recht bestond.
De Commissie  vindt in het dossier geen aanknopingspunten om te concluderen dat er een onterechte O/GS-kwalificatie over dit toeslagjaar was of dat belanghebbende een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter