BAC 2025-15929
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 oktober 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 15 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 20 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 t/m 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 t/m 2011.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 t/m 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 februari 2024, ingekomen op 27 februari 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 8 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 17 november 2025 om 10:00 uur zou een hoorzitting plaatsvinden. Gemachtigde heeft zich echter op 14 november 2025 afgemeld voor de hoorzitting en daarbij vermeld dat belanghebbende waarschijnlijk eveneens niet zou verschijnen. Op 17 november 2025 heeft de Commissie aan gemachtigde en aan UHT medegedeeld dat in deze zaak, vanwege de annulering van de hoorzitting, op stukken zal worden geadviseerd. Belanghebbende is, na het verstrijken van het tijdstip van de hoorzitting, toch bij de Commissie verschenen en heeft daarbij verklaard dat zij uitdrukkelijk wenste te worden gehoord. Daarom is er opnieuw een hoorzitting ingepland.
- Op 15 december 2025 heeft daarom alsnog een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Aangezien aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt, is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Afgewezen toeslagjaren
Bij het bestreden besluit heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2009 t/m 2011 geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie (hierna: O/GS-kwalificatie). Volgens belanghebbende is de compensatie over deze jaren ten onrechte afgewezen.
Uit het dossier maakt de Commissie op dat de verlagingen over deze jaren zijn gebaseerd op reguliere wijzigingen, zoals ingestuurde jaaropgaven door belanghebbende, door belanghebbende doorgegeven wijzigingen (waaronder een stopzetting) en een hoger toetsingsinkomen. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) mocht uitgaan van de doorgegeven informatie en op basis daarvan de wijzigingen doorvoeren. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel geen recht op compensatie op grond van de Wht. De Commissie overweegt dat, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk is geworden dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 t/m 2011 vooringenomen heeft gehandeld.
Ook is de Commissie niet gebleken van hardheid van het stelsel, ondanks dat erin alle toeslagjaren verlagingen plaatsgevonden die boven het drempelbedrag van €1.500 zijn uitgekomen en de KOT aan een derde is uitbetaald. Blijkens de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) betrof deze derde de gemeente Tilburg. In de brief van 18 november 2013 van de afdeling Schuldhulpverlening van de gemeente Tilburg (pagina 187 van het dossier) vermeldt deze instantie dat belanghebbende bij haar in begeleiding is, dat de beëindiging van de kinderopvang door een administratieve fout niet tijdig aan B/T is doorgegeven, dat de KOT door de gemeente Tilburg is ontvangen en dat de teveel ontvangen KOT door de gemeente Tilburg zal worden terugbetaald. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de uitbetaling van de KOT aan de afdeling Schuldhulpverlening van de gemeente Tilburg en aan de terugbetaling door deze instantie. De Commissie merkt op dat de door belanghebbende gemelde terugvordering volgens de stukken in het dossier (met name het LIC-overzicht) niet valt terug te voeren op toekenning of terugvordering van KOT maar mogelijk betrekking kan hebben op andere toeslagen (huur- of zorgtoeslag dan wel kindgebonden budget).
Tot slot bestaat er geen onterechte O/GS-kwalificatie over de jaren 2009 t/m 2011. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie begrijpt dat belanghebbende dit graag anders had gezien, maar kan niet anders dan adviseren dat UHT het bezwaar ook op dit punt ongegrond verklaart.
Geen proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, dan ook geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter