Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15925

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 januari 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 5 februari 2026 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 15 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHOA deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2015, 2017 en 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013, 2014, 2017 en 2018. In overleg met belanghebbende is het verzoek gewijzigd naar de jaren 2005 tot en met 2015, 2017 en 2018.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2015, 2017 en 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 16 december 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 11 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 5 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 10 februari 2026 op gereageerd. Op 17 maart 2026 heeft UHT daar nog een korte reactie op gegeven.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Persoonlijk dossier
Belanghebbende verzoekt UHT in het bezwaar om de betaal- en verrekenoverzichten van alle toeslagjaren alsmede de berekening van de component ‘rentevergoeding over gemiste KOT’ alsnog over te leggen.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie met de bijbehorende producties, waaronder ook “een overzicht van alle betalingen en verrekeningen van de jaren 2005 tot en met 2015, 2017 en 2018” zijn aan gemachtigde toegezonden. Hiermee hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Omdat er aan belanghebbende geen compensatie is toegekend is er door UHT geen berekening van de component ‘rentevergoeding over gemiste kinderopvangtoeslag’ gemaakt. De Commissie ziet in de stellingname van belanghebbende geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.

Geen ‘equality of arms’
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het ouderdossier met de bijbehorende producties is op 11 oktober 2024 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover sprake is van gebreken in de motivering van het bestreden besluit kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Automatische continuering
Belanghebbende stelt dat de wijze waarop de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) om is gegaan met de automatische continuatie van de KOT onzorgvuldig is. Zij stelt daarbij dat onvoldoende waarborgen in het systeem zijn ingebouwd, waardoor betalingsproblemen hebben kunnen ontstaan bij terugvorderingen over eerdere toeslagjaren. Dit was het geval bij belanghebbende over toeslagjaar 2009. Volgens belanghebbende had van B/T verwacht mogen worden dat de KOT alleen automatisch verlengd werd als daarvoor aanwijzingen waren in de KOI-viewer en dat deze gegevens, of andere gegevens die B/T tot haar beschikking had, als basis zouden hebben moeten dienen voor de berekening van het voorschot.

De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatische gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T wordt stopgezet of gewijzigd.

Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoer gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

KOT niet ten goede gekomen aan belanghebbende in toeslagjaar 2008
Over toeslagjaar 2008 is de KOT verlaagd met € 1.500 of meer. Uit het betaal- en verrekenoverzicht (ouderdossier, pagina 323) is opgemaakt dat er een bedrag van € 2.790 is uitbetaald aan de KOI. De kosten van de KOI bedroegen in januari en februari €0 (ouderdossier, pagina 482).

Uit het LIC-overzicht of overige beschikbare documenten blijkt niet dat de KOI het te veel uitbetaalde bedrag aan KOT heeft terugbetaald aan belanghebbende of B/T (productie 2700112). Om deze reden kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het te veel uitbetaalde bedrag aan KOT daadwerkelijk ten goede is gekomen aan belanghebbende. Omdat het hier gaat om een bedrag van € 2.790, is er sprake van hardheid. Derhalve heeft belanghebbende recht op compensatie wegens hardheid van het stelsel voor het toeslagjaar 2008. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Vooringenomenheid, hardheid en O/GS
Belanghebbende acht vooringenomenheid aanwezig over de toeslagjaren 2005 tot en met 2015, 2017 en 2018 en stelt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over deze toeslagjaren.

2005
Er is over dit toeslagjaar geen sprake van neerwaartse bijstellingen. Daarom is er geen sprake van vooringenomen handelen. De Commissie adviseert deze bezwaargrond ongegrond te verklaren.

2006
Over toeslagjaar 2006 is er sprake van een neerwaartse bijstelling. Op 26 februari 2007 is de KOT neerwaarts bijgesteld van een bedrag van € 16.164 (ouderdossier, pagina 313) naar een bedrag van € 14.659 (ouderdossier, pagina 313). Dit is het gevolg van de stopzetting van de KOT voor het oudste kind van belanghebbende per 15 september 2006 (ouderdossier, pagina 395 t/m 402).

De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2006 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2007
Op 16 mei 2007 heeft belanghebbende de KOT stopgezet, met ingang van 17 april 2007 (ouderdossier, pagina 417 - 421) wegens de stopzetting van de KOT door belanghebbende en als gevolg van door belanghebbende opgestuurde stukken en telefonisch contact met B/T.

De KOT over het toeslagjaar 2007 is naar beneden bijgesteld vanwege een door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT. Er is geen sprake van vooringenomen handelen. Daarom hebt u geen recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2008
De KOT is tweemaal verlaagd, respectievelijk vanwege een door belanghebbende verzochte stopzetting van de KOT en als gevolg van een hoger vastgesteld toetsingsinkomen (ouderdossier, pagina 424).

De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2008 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2009
Over toeslagjaar 2009 is de KOT eenmalig neerwaarts bijgesteld wegens een hoger vastgesteld toetsingsinkomen. Dit betreft een reguliere wijziging.

De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2009 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door een regulier wijziging opnieuw berekend. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2010
Er is over toeslagjaar 2010 sprake van drie neerwaartse bijstellingen. Deze bijstellingen zijn het gevolg van een hoger vastgesteld toetsingsinkomen en het stopzetten van de KOT door belanghebbende.

De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2010 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2011
Over toeslagjaar 2011 is er sprake van een neerwaartse bijstelling van € 166 (ouderdossier, pagina 581) naar een bedrag van € 145 wegens een hoger vastgesteld toetsingsinkomen (ouderdossier, pagina 583) wegens een hoger vastgesteld toetsingsinkomen (ouderdossier, pagina 583).

De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2011 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door een reguliere wijziging opnieuw berekend. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2012
Over toeslagjaar 2012 is er sprake van een neerwaartse bijstelling van € 4.100 (ouderdossier, pagina 601 en productie 2700114) naar een bedrag van € 683 (ouderdossier, pagina 607). Dit betreft een reguliere wijziging. Op 2 november 2013 werd de KOT bijgesteld naar € 633 als gevolg van een hoger vastgesteld toetsingsinkomen (ouderdossier, pagina 613). Vervolgens is op 2 mei 2014 de KOT definitief vastgesteld op € 542 (ouderdossier, pagina 619), wederom als gevolg van een hoger toetsingsinkomen.

In totaal is de KOT driemaal naar beneden bijgesteld, zowel door de stopzetting door belanghebbende als door een hoger vastgesteld toetsingsinkomen.  De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2012 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2013
De KOT is over toeslagjaar 2013 tweemaal neerwaarts bijgesteld wegens een hoger vastgesteld toetsingsinkomen. He gaat om een bedrag van bijstelling van €3.992 (ouderdossier, pagina 635) naar een bedrag van € 3.196. En van een bijstelling naar € 3.053. Dit betreft eveneens een reguliere wijziging.

De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2013 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2014
Op 7 januari 2016 is de KOT neerwaarts bijgesteld naar een bedrag van € 510 op basis van de KOI-viewer (ouderdossier, pagina 661 en 665). Uit de KOI-viewer blijkt dat er enkel opvang is geweest van oktober tot en met december, in plaats van het hele jaar. Tevens is er slechts 44 uur per maand aan opvang opgenomen in plaats van 105 uur per maand.

Als de KOT zonder voorafgaande uitvraag is verlaagd naar aanleiding van de uren zoals opgenomen in de KOI-viewer, is dat in beginsel niet vooringenomen. Dat kan anders zijn indien de B/T in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de gegevens in de KOI-viewer. De KOI-viewer bevat immers informatie die door de kinderopvanginstelling zelf is aangeleverd. De toets of de B/T had moeten twijfelen aan de KOI-viewer, wordt gedaan met de informatie die op het moment van aanpassing op basis van KOI-viewer (en eventueel andere informatie) beschikbaar was.

Er is in dit geval geen reden om te twijfelen aan de gegevens in KOI-viewer. Nu belanghebbende, aldus UHT, geen stukken heeft ingebracht die die op iets anders wijzen, is naar het oordeel van de Commissie de compensatie terecht afgewezen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2015
De KOT is neerwaarts bijgesteld van € 7.041 (ouderdossier, pagina 673) naar een bedrag van € 2.132 (ouderdossier, pagina 677) wegens een DUO-melding (productie 2700108). Als gevolg van stopzetting van de KOT door belanghebbende is de KOT neerwaarts bijgesteld naar een bedrag van € 2.054 (ouderdossier, pagina 681).

Op 28 april 2017 is de KOT neerwaarts bijgesteld naar een bedrag van € 699 op basis van de gegevens in KOI-viewer (ouderdossier, pagina 685). Uit de KOI-viewer blijkt dat er 44 uur per maand aan opvang opgenomen in plaats van 105 uur per maand (ouderdossier, pagina 689).

Er is in dit geval geen reden om te twijfelen aan de gegevens in KOI-viewer. Nu belanghebbende, aldus UHT, geen stukken heeft ingebracht die die op iets anders wijzen, is naar het oordeel van de Commissie de compensatie terecht afgewezen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2017
Op 9 februari 2018 is de KOT neerwaarts bijgesteld van een bedrag van € 4.608 (ouderdossier, pagina 707) naar € 4.286 (ouderdossier, pagina 711) als gevolg van een door belanghebbende opgegeven stopzetting van de KOT (productie 2700111).

Op basis van de van belanghebbende ontvangen jaaropgave is de KOT op
31 december 2019 neerwaarts bijgesteld naar een bedrag van € 2.437 (ouderdossier, pagina 721). Uit de jaaropgave en de KOI-viewer blijkt dat belanghebbende vanaf januari 2017 minder opvanguren per maand heeft afgenomen dan aanvankelijk door belanghebbende aan B/T was doorgegeven.

De KOT is neerwaarts bijgesteld wegens de stopzetting van de KOT door belanghebbende en op basis van de gegevens in KOI-viewer en de door belanghebbende verstrekte jaaropgave.

Dit zijn reguliere wijzigingen, die in overeenstemming met de wet zijn uitgevoerd.

Daarom is naar het oordeel van de Commissie de compensatie terecht afgewezen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2018
Op 22 januari 2018 is de KOT nihil gesteld, omdat belanghebbende de KOT per 16 december 2017 heeft stopgezet (ouderdossier, pagina 737).

B/T heeft over toeslagjaar 2018 de KOT aangepast vanwege reguliere wijzigingen in de aanvraag van de belanghebbende. Dit is vanwege een stopzetting van de KOT door de belanghebbende. Er is geen sprake van vooringenomen handelen. Daarom is er geen recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Geen toeslagpartner voor 2010
Volgens belanghebbende is zij in 2010 met haar huidige partner getrouwd en gaan samenwonen. In de toeslagjaren vóór 2010 was er geen sprake van een toeslagpartner. De berekening van de KOT in de jaren vóór 2010 is ten onrechte mede gebaseerd op het inkomen van de toeslagpartner en was daarom te laag.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2010 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet beoordeeld toeslagjaar
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het toeslagjaar 2016 ten onrechte niet door UHT is herbeoordeeld. Zij verzoekt UHT deze beoordeling alsnog uit te voeren.

Het toeslagjaar 2016 valt buiten deze bezwaarprocedure. Uit het herbeoordelingsverzoek (pagina 19 van het dossier) blijkt niet, dat om de herbeoordeling van 2016 is gevraagd.

UHT was daarom niet gehouden om over dat jaar een besluit te nemen. Het toeslagjaar 2016 valt buiten deze bezwaarprocedure. De Commissie zal daarover geen advies geven. De Commissie wil belanghebbende nog meegeven, dat zij mogelijk geen belang heeft bij herbeoordeling van 2016, omdat zij volgens de gegevens van UHT  voor dit toeslagjaar geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd.

Beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor een compensatie over de toeslagjaren 2005 tot en met 2015, 2017 en 2018 omdat B/T bij de terugvorderingen en verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de voor haar geldende beslagvrije voet. Volgens belanghebbende beschikte B/T over voldoende gegevens om over voornoemde jaren de beslagvrije voet vast te kunnen stellen.

De Commissie merkt op dat uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling blijkt dat het bij compensatie vanwege hardheid van het wettelijke systeem gaat om de hardheid van het toeslagenstelsel zelf en niet om de eventuele hardheid van de invordering. De Commissie verwijst daarbij onder meer naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3 en nr. 7) en jurisprudentie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2024:4672). Vanaf 1 januari 2021 geldt dat instanties rekening moeten houden met de beslagvrije voet bij het verrekenen van toeslagen of bij beslag op deze toeslagen. Maar dat geldt niet voor de kinderopvangtoeslag, omdat deze toeslag geen inkomensvoorziening is. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.

FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende voorkwam op de FSV-lijst van 30 november 2009 tot 1 februari 2010. (pag 755 van het dossier). De reden hiervoor staat eveneens op pagina 755 van het dossier. Indien er nog meer gegevens zijn over deze FSV vermelding horen die bij het bezwaardossier, zodat belanghebbende daar kennis van kan nemen. De Commissie adviseert UHT daarom om die aanvullende informatie aan belanghebbende te verstrekken of belanghebbende te helpen bij het verkrijgen van die aanvullende informatie.

O/GS
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat geen sprake was van O/GS aan de orde is geweest, omdat er volgens haar voor de terugbetaling van KOT over de jaren 2013, 2014, 2017 en 2018 een betalingsregeling is geweigerd. 

Op verzoek van de Commissie heeft UHT door middel van de aanvullende beschouwing van 9 februari 2026 en de met deze beschouwing overgelegde dossierstukken een begrijpelijke toelichting gegeven over de wijze waarop is vastgesteld, dat er geen sprake was van O/GS. Bovendien blijkt uit de door UHT overgelegde stukken, dat er wel een persoonlijke, op de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens over haar inkomen en vermogen afgestemde, betalingsregeling is getroffen. Reeds uit het feit, dat er is ingestemd met een betalingsregeling kan worden geconcludeerd, dat er geen O/GS is vastgesteld.  Belanghebbende heeft daartegenin gebracht, dat de bedragen, die zij maandelijks moest betalen nog te hoog waren, maar daar kan de Commissie geen oordeel over geven omdat dat buiten het bereik van de Wht en de daarop gebaseerde herstelregelingen valt.

Proceskostenvergoeding
Nu zal worden geadviseerd de bestreden beschikking ‘definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag’ van 22 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Evenals in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 22 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA  gedeeltelijk gegrond te verklaren en dit besluit te herroepen;
  • compensatie op grond van hardheid toe te kennen over het jaar 2008;
  • de compensatie te berekenen met inachtneming van dit advies;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.          

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter