Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15922

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 1 december 2023 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 23 februari 2026 om 15:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 6 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: de CWS). Deze beschikking wordt hierna het bestreden besluit genoemd.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 11.413.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 december 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 en 2017.
    Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft UHT de herbeoordeling uitgevoerd voor de jaren 2012 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij besluit van 17 november 2021 met kenmerk UHT-DC-I A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2012.
  • UHT heeft bij besluit van 28 januari 2022 met kenmerk UHT-DC I wel een compensatie toegekend, voor een bedrag van € 45.951, voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2017.
  • Belanghebbende heeft op 28 maart 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • De CWS heeft haar beoordeling van dit verzoek van belanghebbende op
    30 oktober 2023 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van de CWS gevolgd en bij het bestreden besluit aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 11.413.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 januari 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 10 juli 2025 met een “beschouwing” schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 21 januari 2026 een aanvullende beschouwing ingediend naar aanleiding van het aangepaste schadekader dat geldt vanaf 22 december 2025.
  • Gemachtigde heeft op 23 januari 2026 bij e-mail aan de Commissie laten weten dat zij het bezwaarschrift al had aangevuld op 8 augustus 2025. Op 26 januari 2026 heeft de Commissie dit aanvullende bezwaarschrift ontvangen. Het bestaat uit aanvullende gronden, een schadeanalyse en een mailwisseling met UHT.
  • Op 26 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. De Commissie heeft in overeenstemming met beide partijen bepaald dat de hoorzitting wordt voortgezet op 23 februari 2026.
  • UHT heeft op 26 januari 2026, na de hoorzitting, een brief van de CWS van 5 juni 2023 met nadere vragen naar gemachtigde gestuurd, zodat zij daarop kon reageren. Op 5 februari 2026 heeft UHT bij e-mail twee aanvullende vragen aan gemachtigde voorgelegd.
  • Gemachtigde heeft op 10 februari 2026, met een e-mail met vier bijlagen, gereageerd op de twee aanvullende vragen van UHT. Op 13 februari 2026 heeft gemachtigde ook gereageerd op de vragen van de CWS.
  • UHT heeft op 17 februari 2026 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 23 februari 2026 heeft er een tweede hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Tijdens de tweede hoorzitting is afgesproken dat gemachtigde nadere gegevens zal toesturen, waarin ze de uitkomsten van het CWS-beleidskader van december 2025 en van één van de hersteltrajecten naast elkaar plaatst en daarnaast een overzicht geeft van de studiepunten die belanghebbende in haar opleiding bij [naam opleider] heeft behaald. Gemachtigde heeft hiervoor een termijn van twee weken gekregen. Op 16 maart 2026 heeft de Commissie gemachtigde een nieuwe termijn gegeven van twee weken en daarbij vermeld dat de Commissie bij het uitblijven van een reactie na deze termijn zal overgaan tot advisering op grond van de huidige stukken in het dossier. Gemachtigde heeft hierop niet binnen deze termijn gereageerd.
  • Op 2 april 2026 heeft de Commissie alsnog telefonisch contact opgenomen met gemachtigde en haar nogmaals gevraagd om haar schriftelijke reactie op te sturen. Dit heeft niet tot een reactie van gemachtigde geleid. De Commissie adviseert daarom op basis van de huidige stukken in het dossier.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie moet antwoord geven op de vraag of UHT op de juiste wijze heeft beslist op het verzoek van belanghebbende om aanvullende schadevergoeding nadat de CWS haar daarover had geadviseerd. Zij doet dat aan de hand van de bezwaargronden van belanghebbende.

Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1 lid 3, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620).
De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt (i) dat en in welke mate zij of hij aanvullende schade heeft geleden en (ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

De CWS beoordeelt of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie. Op basis van deze beoordeling brengt zij advies uit aan UHT. UHT mag dit advies overnemen, nadat ze zich ervan vergewist heeft (1) dat het zorgvuldig tot stand is gekomen, (2) dat de redenering daarvan begrijpelijk is en (3) dat de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).Deze norm wordt hierna aangeduid als ‘de vergewisplicht’. UHT kan voor de motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van de CWS, als dit advies zelf de toereikende motivering bevat en UHT van het advies kennis geeft.

In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT een juiste invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeenstemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewisplicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of de CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedingsrecht. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van de CWS heeft gevolgd.

Bij de toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht gaat het vooral om twee vragen: 

  • Heeft het (vooringenomen of voor de toeslagouder te hard uitwerkende) handelen van de B/T de gestelde schade veroorzaakt? Anders gezegd: is er causaal verband tussen beide?
  • En zo ja, wat is de omvang van de schade?

Voor geen van deze twee aspecten gelden strikte bewijsregels. De gedupeerde ouder moet in voldoende mate aannemelijk maken dat er causaal verband is tussen de handelwijze van de B/T en de door hem of haar gestelde aanvullende schadeposten. Voor de begroting van de schade geldt de maatstaf van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek: als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat. In gevallen waarin naast het handelen van de B/T ook andere oorzaken van de schade zijn aan te wijzen, dient te worden geschat in welke mate dat handelen heeft bijgedragen aan de schade.
Dit kan leiden tot toerekening van een proportioneel deel van de schade aan het handelen van de B/T.

De toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht vindt plaats tegen de achtergrond van de ruimhartigheid die de hersteloperatie kenmerkt.
De ruimhartigheid moet, om reële betekenis te hebben, leiden tot een wetstoepassing die, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, voor de toeslagouders gunstiger kan uitvallen dan voor anderen. Het is mogelijk dat daardoor minder hoge eisen worden gesteld aan de ‘bewijslast’ van de ouder (dat wil zeggen: de mate waarin deze haar of zijn lezing aannemelijk moet maken) of dat de ouder eerder het voordeel van de twijfel krijgt dan mogelijke gedupeerden door overheidshandelen in andere gevallen.

Nieuw schadekader
Voordat zij hiertoe overgaat, merkt de Commissie op dat CWS gedurende de bezwaarprocedure tweemaal een nieuw schadekader heeft ontwikkeld. Op 1 juli 2024 heeft CWS een nieuw schadekader gepubliceerd en dat schadekader is per
22 december 2025 geactualiseerd. Een wijziging in het schadekader hoeft slechts tot aanpassing van de vergoeding te leiden voor zover die wijziging voor belanghebbende gunstiger uitpakt. De Commissie stelt vast dat UHT de vraag of dit nieuwe beleid van invloed is op de schadeposten in deze zaak en of dit tot een andere uitkomst moet leiden, heeft beantwoord in de schriftelijke beschouwingen van 10 juli 2025 respectievelijk 21 januari 2026. Op basis van het schadekader per 1 juli 2024 concludeert UHT dat aan belanghebbende in totaal nog een aanvullend bedrag aan werkelijke schade toekomt van € 5.550. Op basis van het schadekader per 22 december 2025 concludeert UHT dat aan belanghebbende een extra aanvullende schadevergoeding toekomt voor een bedrag van € 7.772. Daarom heeft UHT het schadekader van 22 december 2025 toegepast. De Commissie sluit zich hierbij aan.

Belanghebbende heeft tijdens de eerste hoorzitting gewezen op de ‘schade-analyse’ die zij heeft opgesteld op basis van het schadekader van Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH). De Commissie is van oordeel dat het schadekader van CWS dient te worden gevolgd. Dit is namelijk de vastgestelde route waarmee UHT dient te werken. De Commissie merkt hierbij op dat belanghebbende naar aanleiding van de hoorzitting de mogelijkheid heeft gekregen om nadere gegevens toe te sturen die in een andere richting zouden kunnen wijzen. De Commissie heeft echter geen reactie meer gekregen van belanghebbende en gaat daarom aan het SGH-schadekader voorbij.

Materiële schade

Inkomensschade
Belanghebbende stelt dat zij in 2014 is begonnen met een HBO-opleiding tot verpleegkundige bij [naam opleider]. Volgens haar heeft zij door de KOT-problemen deze opleiding niet in 2018 kunnen afronden, maar pas in 2025. Hierdoor werd haar toekomstplan geblokkeerd en heeft zij haar onderneming verloren.

UHT acht het niet voldoende aannemelijk dat belanghebbende is gestopt met de opleiding doordat zij geen opvang had of stress had over de opvang. UHT stelt dat belanghebbende gedurende een groot deel van de opleiding aan [naam opleider] KOT heeft ontvangen, namelijk gedurende de jaren 2014 tot en met 2017, en dat de moeder van belanghebbende gastouder was. Ook duurde de opleiding bij [naam opleider] tot in ieder geval 2020 en hebben de terugvorderingen plaatsgevonden in de periode van mei 2015 tot en met mei 2019.

De Commissie overweegt hierover het volgende. Tijdens de hoorzitting op
26 januari 2026 heeft belanghebbende verklaard dat zij met de opleiding bij [naam opleider] is gestopt in 2015 of 2016 en dat zij in 2018 met een opleiding bij Hogeschool [naam] is begonnen. Zij bleef ingeschreven staan bij [naam opleider] tot 2020, maar volgde feitelijk geen opleiding meer. In het aanvullende bezwaarschrift van 13 februari 2026 en tijdens de tweede hoorzitting, op 23 februari 2026, heeft belanghebbende nader verklaard dat zij in 2018 is gestopt met de opleiding bij [naam opleider].

De Commissie ziet geen aanknopingspunten voor een begin van aannemelijkheid voor een causaal verband tussen de KOT-problemen en het stoppen met de opleiding. Het is mede door de wisselende verklaringen van belanghebbende onduidelijk wanneer zij precies is gestopt met de opleiding en ook is niet bekend hoe de opleiding inhoudelijk gezien voor haar is verlopen. Belanghebbende heeft haar stellingen hierover niet toegelicht door bijvoorbeeld een overzicht met studiepunten in te sturen, zoals was afgesproken tijdens de tweede hoorzitting. Hieruit zou kunnen blijken welke invloed de KOT-problemen hebben gehad op haar studieresultaten. Daar komt bij dat de eerste onterechte terugvorderingen in mei 2015 zijn begonnen. De Commissie acht het daarom niet aannemelijk dat belanghebbende in 2018 is gestopt met haar opleiding als gevolg van de KOT-problemen. De KOT-problemen waren er toen al een aantal jaren. De Commissie neemt hierbij ook in overweging dat belanghebbende in 2018 en, naar de Commissie begrijpt, direct aansluitend op de opleiding bij [naam opleider], is begonnen met een opleiding bij Hogeschool [naam]. Gelet op deze omstandigheden lijkt het erop dat belanghebbende wel degelijk in staat was om een opleiding te volgen. Ten aanzien van dit onderdeel adviseert de Commissie UHT het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vermogensschade
De Commissie heeft geen aanknopingspunten in het dossier gevonden om UHT te adviseren een hoger bedrag aan vermogensschade aan belanghebbende toe te kennen. Voor de leningen bij familieleden heeft belanghebbende geen rente heeft betaald. In een dergelijk geval kan worden aangenomen dat de betrokkene geen schade in materiële zin heeft geleden. De lening bij [kredietverstrekker 1] is aangegaan in 2013. Belanghebbende stelt in haar e-mail van 13 februari 2026 dat deze lening werd afgesloten voor de aankoop van een perceel in Suriname en dat op deze lening in 2014 een betalingsachterstand was ontstaan. De onterechte KOT-terugvorderingen hadden op dat moment nog niet plaatsgevonden. De Commissie acht het daarom niet aannemelijk dat de lening van [naam kredietverstrekker 1] is aangegaan voor het aflossen van schulden naar aanleiding van de KOT-problemen of op een andere wijze daarmee verband houdt.

Voor de leningen bij [kredietverstrekker 2] en [kredietverstrekker 3] hebben de CWS en in haar voetspoor UHT geoordeeld dat het aangaan daarvan voor 50% kan worden toegeschreven aan de KOT-problemen. De Commissie acht dit oordeel juist. Zo heeft belanghebbende bij email van 13 februari 2026 een tijdlijn aan de Commissie doen toekomen, waarin zij stelt dat zij in 2012/2013 schuldhulp moest inschakelen en dat in 2014 directe financiële problemen zijn ontstaan. Hieruit maakt de Commissie op dat er al schulden waren, voordat de onterechte terugvorderingen in mei 2015 begonnen. De Commissie ziet geen aanleiding om UHT te adviseren een hoger schadebedrag toe te kennen en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Wonen
Belanghebbende stelt dat zij als gevolg van de KOT-problemen in een te kleine woning verbleef met haar kinderen. Haar kinderen hadden geen privacy en zij kon geen hypothecaire lening afsluiten. Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT de woonsituatie terecht onder immateriële schade beoordeeld. De Commissie heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om een causaal verband tussen de KOT-problemen en schade met betrekking tot de woonsituatie in materiële zin aan te nemen. Belanghebbende heeft niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd dat zij materiële schade heeft geleden op het gebied van wonen en dat deze schade werd veroorzaakt door de KOT-problemen. De Commissie adviseert UHT het bezwaar ten aanzien van dit onderdeel ongegrond te verklaren.  

Zorgkosten
Belanghebbende betoogt dat zowel zijzelf als haar kinderen door de KOT-problemen zijn getroffen op het gebied van hun gezondheid. Zij en haar zoon hebben psychologische hulp gekregen. De Commissie merkt op dat de gezondheidsproblemen en psychologische problemen deels onder immateriële schade vallen. Voor de gestelde materiële schade heeft belanghebbende niet nader onderbouwd – bijvoorbeeld door facturen of andere gegevens over behandelingen – welke bedragen zij heeft betaald voor de psychologische hulp, voor haarzelf of voor haar zoon. Nu concrete en verifieerbare gegevens of andere aanwijzingen over de werkelijk gemaakte kosten ontbreken, acht de Commissie het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.

Immateriële schade

Gezondheid en kinderwens
Belanghebbende heeft in december 2022 een miskraam gehad en kampte verder met gezondheidsklachten. Zij verzoekt de Commissie om dit gegeven als ‘verzwarende omstandigheid’ te betrekken bij haar advisering.

UHT stelt dat de miskraam heeft plaatsgevonden na de datum van de uitbetaling van de vergoeding op grond van de Catshuisregeling en de definitieve compensatiebeschikking, en daardoor niet gezien kan worden als een gevolg van de KOT-problemen. De Commissie volgt dit standpunt van UHT niet.
De Commissie kan goed begrijpen dat het ontvangen van een compensatiebedrag niet direct (alle) stress wegneemt.

Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting gesteld dat ernstige stress ook ná erkenning kan plaatsvinden. De Commissie vindt deze mogelijkheid in haar geval voldoende aannemelijk. Immateriële schade valt immers niet een-op-een in geld uit te drukken en valt niet als vanzelf weg na financiële compensatie. Naar het oordeel van de Commissie kan UHT daarom niet stellen dat de miskraam geen gevolg was van de KOT-problemen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en op te nemen in schadepost A.

Met betrekking tot de gezondheidsklachten en de psychologische hulp van belanghebbende overweegt de Commissie als volgt. Met het opsturen van het medisch journaal van de huisarts heeft belanghebbende een aanknopingspunt geboden om een causaal verband tussen de KOT-problemen en haar gezondheidsklachten voldoende aannemelijk te achten. Belanghebbende heeft documenten overgelegd waaruit blijkt dat de klachten aan de orde waren ten tijde van de KOT-problemen, onder meer in 2017. De omstandigheid dat zij ook al eerder gezondheidsproblemen had, staat hieraan niet in de weg. Ook de omstandigheid dat er andere zaken in het leven van belanghebbende hebben gespeeld toen de KOT-problemen zich voordeden, doet hieraan niet af. Gezondheidsklachten kunnen immers vele, elkaar versterkende, oorzaken hebben. De Commissie acht het voldoende aannemelijk dat de gezondheidsklachten op zijn minst zijn versterkt door de KOT-problemen en ook dat de KOT-problemen het herstel van eerdere klachten in de weg hebben gezeten, en dat belanghebbende hierdoor hulp heeft moeten zoeken. Het is niet mogelijk om nauwkeurig vast te stellen wat er was gebeurd als de KOT-problemen niet hadden plaatsgevonden. Het is voor belanghebbende lastig om aan te tonen dat bepaalde gezondheids-klachten een directe relatie hebben met de KOT-problemen die haar zijn overkomen. Deze ‘bewijsnood’ mag niet in haar nadeel uitwerken, en dit te minder als rekening wordt gehouden met de al eerder vermelde ruimhartigheid, die als een van de rode draden door de hersteloperatie loopt. Daar komt bij dat belanghebbende recht heeft op haar persoonlijke levenssfeer. Van haar mag niet worden verlangd dat zij vele hoogst persoonlijke medische gegevens beschikbaar stelt. De Commissie ziet in dit geval niet in hoe belanghebbende deze immateriële schadepost nog verder aannemelijk zou kunnen maken zonder haar recht op privacy te laten varen. Alles bijeengenomen komt zij tot het advies aan UHT om het bezwaar ook op dit punt gegrond te verklaren en op te nemen in schadepost A.

Belanghebbende heeft daarnaast aannemelijk gemaakt dat haar zoon tussen 2017 en 2019 psychologische hulp heeft ontvangen bij [naam]. De Commissie komt op grond van goeddeels dezelfde overwegingen als die van zojuist over de eigen problemen van belanghebbende, tot het advies aan UHT om het bezwaar ook gegrond te verklaren ten aanzien van de hier bedoelde immateriële schade van de zoon van belanghebbende. 

Sociale en relationele schade
De Commissie heeft geen aanknopingspunten in het dossier gevonden om tot een hoger aanvullend schadebedrag te komen ten aanzien van de sociale en relationele schade dan het al uitgekeerde standaardbedrag. Belanghebbende stelt in de door haar opgestelde tijdlijn dat zij in 2014 ondermaats werd bejegend door haar familie. Dit speelde dus al voordat de KOT-problemen zijn begonnen.
Volgens belanghebbende zijn de problemen door die problemen verergerd.
De Commissie overweegt dat dit daarom ook is opgenomen in het standaard te vergoeden bedrag en acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.

Proceskosten
Nu de Commissie het bezwaar tegen het bestreden besluit deels gegrond acht en adviseert om het besluit te herroepen, adviseert zij UHT om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2,5 procespunten (bezwaarschrift, hoorzitting en nadere hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar deels gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter