BAC 2025-15913
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 mei 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 27 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 28 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskosten-vergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 7 mei 2024 met het kenmerk UHT-DCHOA (hierna: de bestreden beschikking).
In de bestreden is aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor toeslagjaar 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij beschikking van 9 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 mei 2024, ingekomen op 30 mei 2025, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 17 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 25 november 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 27 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 4 februari 2026 heeft UHT, naar aanleiding van de hoorzitting, een aanvullende beschouwing verzonden.
- Op 6 februari 2026 heeft gemachtigde gereageerd op de aanvullende beschouwing.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan de verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreken, is niet voldoende.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals gewaarborgd door artikel 6EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over het volledige dossier. Op artikel 6 EVRM kan pas een beroep worden gedaan tijdens de procedure bij de rechtbank. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen, en daarvan gebruik gemaakt, om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Afwijzing compensatie
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2019 op grond van hardheid van het stelsel.
De Commissie overweegt dat uit de stukken blijkt dat belanghebbende in de periode van 13 september 2019 tot en met 28 mei 2020 in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd stond met de aanduiding VOW (Vertrokken Onbekend Waarheen). Op het moment dat de uitvraagbrief aan belanghebbende is verzonden, 14 oktober 2019, had belanghebbende de status VOW.
De uitvraagbrief is toen onbestelbaar retour ontvangen door Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T). De aanvraag voor KOT is vervolgens afgewezen door B/T bij brief van 18 november 2019. Deze brief is ook onbestelbaar retour ontvangen door B/T.
Omdat belanghebbende geen vaste woonplaats had, voldeed zij volgens B/T niet aan de vereisten voor verkrijging van KOT. Volgens vaste uitvoeringspraktijk van UHT kan evenwel sprake zijn van een recht op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. In afdeling 3.1.12 van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek is bepaald dat onder omstandigheden sprake kan zijn van hardheid als de aanvrager en het kind wel feitelijk op hetzelfde adres hebben gewoond en B/T in contact kon komen met de aanvrager.
De Commissie overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat belanghebbende met B/T in contact is getreden of pogingen heeft gedaan om haar verblijfadres aan B/T duidelijk te maken. Om deze reden was het voor B/T niet mogelijk om in contact te komen met de aanvrager en kon zij ook niet controleren of kind en ouder op hetzelfde adres woonachtig waren. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat belanghebbende voldoende inspanningen heeft verricht om de VOW-status te wijzigen. De Commissie ziet om deze reden geen omstandigheden op grond waarvan belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie op grond van hardheid van het stelsel.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT, zoals is weergegeven in de aanvullende reactie van 4 februari 2026. Zij ziet in het bezwaar geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen en adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Commissie is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belang-hebbende geen recht heeft op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter