Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15909

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 maart 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 17 december 2025 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 2 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2015.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 januari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • Bij vooraankondiging van 29 januari 2024 en 8 februari 2024 heeft UHT aan belanghebbende de voorlopige beslissing medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een herstelregeling voor de jaren 2010 tot en met 2015.
  • Gemachtigde heeft op 20 februari 2024 hierop zijn zienswijze gegeven.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 21 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 23 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 oktober 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 4 december 2025 schriftelijk gereageerd op de aanvullende bezwaargronden.
  • Op 17 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 5 januari 2026 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
  • Gemachtigde heeft, eveneens daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 januari 2026 gereageerd op de aanvullende schriftelijke reactie van UHT.
  • Vervolgens heeft UHT op 19 januari 2026 een aanvullende schriftelijke reactie daarop ingediend.
  • Gemachtigde heeft op 21 en 22 januari 2026 gereageerd op de aanvullende schriftelijke reactie van UHT van 19 januari 2026.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is

gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaar 2013

Belanghebbende stelt dat over het toeslagjaar 2013 sprake is geweest van vooringenomen handelen, omdat zij de KOT niet zelf per 16 april 2013 zou hebben stopgezet en deze stopzetting volgens haar ambtshalve door B/T is doorgevoerd. Gemachtigde voert ter zitting aan dat het niet in de lijn der verwachting ligt om de KOT zelf stop te zetten om deze vervolgens drie weken later opnieuw aan te vragen. Dit is een aanwijzing dat belanghebbende de stopzetting niet zelf heeft gedaan. Uit het dossier blijkt verder ook niet dat zij klantcontact daarover heeft gehad met B/T.

UHT stelt zich daarentegen op het standpunt dat de stopzetting door belanghebbende zelf is gedaan. Uit productie 2700001 blijkt dat de stopzetting elektronisch door haar is doorgegeven.

De Commissie overweegt als volgt. Uit de beschikbare stukken blijkt dat de KOT op 21 mei 2013 neerwaarts is gecorrigeerd van € 17.666,- naar € 5.152,-. In de aanvullende beschouwing van 4 december 2025 is vermeld dat deze verlaging het gevolg is van een door belanghebbende doorgegeven stopzetting. Daarnaast bevindt zich in het dossier een TVS-melding (productie 2700001) waaruit volgt dat zij op 3 april 2013 de KOT heeft stopgezet met ingang van 16 april 2013. Bij gebreke van gegevens die in andere richting wijzen, acht de Commissie het voldoende aannemelijk dat belanghebbende de KOT over het toeslagjaar 2013 zelf heeft stopgezet.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat over het toeslagjaar 2013 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Hardheid

Belanghebbende voert aan dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden door de verrekeningen van de terugvordering over toeslagjaren 2010, 2013 en 2015 met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). B/T heeft bij deze verrekeningen geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. De toeslagen (waaronder de toegekende KOT) zijn niet (volledig) aan belanghebbende uitbetaald, omdat de KOT-schuld over toeslagjaren 2010, 2013 en 2015 gedeeltelijk hiermee is verrekend. De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die over toeslagjaren 2010, 2013 en 2015 aan de KOT is gegeven.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wet vermeldt de situatie van verrekening niet expliciet. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is ook met zoveel woorden te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Uit de wetsgeschiedenis (de nota naar aanleiding van het eindverslag) blijkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).

Hieruit volgt dat de Commissie niet toekomt aan de bezwaargrond dat de B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS-tegemoetkoming

Belanghebbende betoogt dat zij in aanmerking dient te komen voor een O/GS-tegemoetkoming. Zij verzoekt UHT om de op de zaak betrekking hebbende stukken met betrekking tot de O/GS-kwalificatie over te leggen.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.6 lid 1 Wht de Dienst Toeslagen aan een aanvrager van KOT op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toekent indien de toepassing van de Awir, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de KOT heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de KOT.

De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS (productie 1300001). In het dossier ziet de Commissie geen aanknopingspunten dat B/T haar een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling heeft geweigerd. Hoewel de Commissie opmerkt dat belanghebbende heeft gevraagd om een maandelijkse termijn van € 112,- blijkt uit de door UHT ingezonden stukken dat een regeling is getroffen van € 150,- per maand. Van een weigering, als bedoeld in de Wht, is dus geen sprake geweest. Er is daarom geen grond om aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen.

FSV-lijst

Belanghebbende voert aan dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en verzoekt om inzage in de onderliggende stukken waaruit zou moeten blijken of zijzelf, haar toeslagpartner en andere personen met dezelfde achternaam al dan niet zijn opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Ter zitting verklaart gemachtigde dat ook op de achternaam van de schoonzus gezocht moet worden.

UHT stelt zich op het standpunt dat het, gelet op de geldende privacywetgeving, niet mogelijk is om FSV-gegevens van de toeslagpartner en schoonzus op te vragen of te verstrekken. Voorts is het niet mogelijk om een controle uit te voeren uitsluitend op basis van een achternaam.

De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt in de FSV. Het FSV-systeem is buiten gebruik gesteld en kan uitsluitend worden geraadpleegd door daartoe specifiek bevoegde medewerkers. UHT beschikt niet over de bevoegdheid om de door haar verzochte gedetailleerde FSV-informatie te verstrekken. Daarnaast overweegt de Commissie dat FSV-gegevens van de toeslagpartner, ter bescherming van diens privacy, niet mogen worden geraadpleegd en dat van andere personen met dezelfde achternaam geen controle kan plaatsvinden.

Ten overvloede overweegt de Commissie dat het enkele feit van opname in de FSV op zichzelf geen grond vormt voor het toekennen van compensatie. Niet is gebleken dat belanghebbende nadelige gevolgen heeft ondervonden van een eventuele opname in de FSV. Ook zijn uit het bezwaar geen aanknopingspunten naar voren gekomen die aanleiding geven om belanghebbende over de afgewezen jaren alsnog te compenseren. Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Discriminatie

Belanghebbende betoogt dat niet uitgesloten is dat haar achternaam een rol heeft gespeeld in de wijze waarop B/T haar heeft behandeld.

UHT stelt zich op het standpunt dat binnen de systemen van B/T geen aanwijzingen te vinden zijn waaruit blijkt dat belanghebbende is gediscrimineerd of dat B/T haar heeft benadeeld vanwege haar achternaam.

De Commissie overweegt verder dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De compensatiebeschikking gaat uit van forfaitaire bedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden. Bij een verzoek om vergoeding van de aanvullende schade, bijvoorbeeld bij de Commissie Werkelijke Schade, worden deze individuele omstandigheden wel meegewogen en kan er een vergoeding worden toegekend voor ervaren discriminatie. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende voert aan dat UHT bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met het formele zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel.

Daaromtrent overweegt de Commissie als volgt. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, is dat in de beslissing op bezwaar door UHT hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige dossier geen sprake is van een eerlijk proces.

Op artikel 6 EVRM kan pas een beroep worden gedaan tijdens de procedure bij de rechtbank. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier – inclusief de LIC-overzichten – ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen, en daarvan gebruik gemaakt om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHOA, bestaat geen aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter