BAC 2025-15895
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 april 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 5 december 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 19 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 19 april 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018. In overleg met belanghebbende heeft de herbeoordeling zich uitgestrekt over de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
- UHT heeft bij definitieve beschikking van 19 april 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 mei 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 april 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 6 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 5 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om het volledige dossier. De Commissie stelt vast dat de schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken, inclusief overzichten van het Landelijk Incassocentrum (LIC-overzichten), op 6 mei 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Om die reden volgt de Commissie belanghebbende niet in haar betoog dat inzage moet worden gegeven in FSV-vermeldingen van haar en haar echtgenoot. Dit verzoek is onvoldoende gespecificeerd en blijft daardoor speculatief. De stelling dat telefoonnotities over toeslagjaar 2012 ontbreken, wordt niet gevolgd, nu deze notities zich reeds op pagina 56 van het ouderdossier bevinden. Belanghebbende heeft niet aangevoerd op welk punt deze gegevens onvolledig zijn. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2012
Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de omvang van het geschil is beperkt tot het toeslagjaar 2012. De Commissie ziet zich dus gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om voor dit toeslagjaar het verzoek om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Belanghebbende heeft betoogd dat B/T in het toeslagjaar 2012 vooringenomen heeft gehandeld door zonder nadere uitvraag uit te gaan van onjuiste gegevens en de KOT op 21 juni 2012 neerwaarts bij te stellen. Belanghebbende stelt hierdoor schade te hebben geleden, aangezien zij ernstig vreesde voor de gevolgen van een hoge terugvordering. UHT heeft aangevoerd dat de neerwaartse bijstelling het gevolg was van een systeemfout en dat dit niet duidt op een vooringenomen handelwijze van B/T. Volgens UHT is paragraaf 3.1.7 (eerste bulletpoint) van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek naar analogie op de onderhavige zaak toegepast. Nu de fout binnen zes weken is hersteld en niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende schade heeft geleden, bestaat volgens UHT geen recht op compensatie.
De Commissie overweegt als volgt. Uit de stukken volgt dat de KOT voor het toeslagjaar 2012 aanvankelijk op € 17.527 is vastgesteld, maar bij beschikking van 21 juni 2012 neerwaarts is bijgesteld naar € 8773 omdat één kind als gevolg van een fout niet in de berekening was meegenomen. De KOT is vervolgens bij beschikking van 21 juli 2012 opwaarts bijgesteld naar € 19.057. UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat paragraaf 3.1.7 van het Handboek Vaktechniek in dit geval naar analogie is toegepast. Die paragraaf luidt als volgt:
“3.1.7 Stopbrief-beschikking
De stopbrief is te kwalificeren als een beschikking, namelijk een besluit van BD/T dat schriftelijk wordt verstrekt aan de ouder en dat voor die ouder rechtsgevolgen heeft. Voor deze kwalificatie is het niet van belang of de KOT uiteindelijk ook daadwerkelijk is verlaagd of teruggevorderd. De stopbrief wordt daarom aangemerkt als een nihil-beschikking. De stopbrief(beschikking) is vaak aan ouders verstuurd wanneer BD/T geen reactie ontvangen heeft op eerdere uitvragen. Het onterecht zenden van een stopbrief is aan te merken als vooringenomen handelen door BD/T. Compensatie wegens dit vooringenomen handelen blijft - ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef, van de Wet hersteloperatie toeslagen – achterwege indien de aanvrager van kinderopvangtoeslag geen (materiële of immateriële) schade heeft geleden. Indien BD/T de verlaging heeft hersteld en nooit is overgegaan tot invordering of verrekening, mag compensatie wegens vooringenomen handelen daarom in de volgende gevallen achterwege blijven:
- Indien het herstel heeft plaatsgevonden binnen zes weken na de dagtekening van de stopbrief (door BD/T zelf of na reactie van de ouder). Dan mag ervan worden uitgegaan dat de ouder geen schade heeft geleden, tenzij de ouder het tegendeel aannemelijk maakt, of
- Indien de ouder uitdrukkelijk verklaart dat hij zich destijds niet gedupeerd heeft gevoeld. Anders wordt verondersteld dat de ouder na de termijn van zes weken wel (materiële of immateriële) schade heeft geleden.”
De Commissie is van oordeel dat UHT, gelet op de problematiek die in dit geval speelt en die welke beschreven is in de hiervoor aangehaalde paragraaf 3.1.7 in redelijkheid heeft kunnen besluiten bij het vormen van haar opvattingen in deze zaak bij voormelde paragraaf aansluiting te zoeken.
Blijkens de stukken staat vast (zie de telefoonnotitie van 13 juni 2012, pagina 56 van het ouderdossier) dat B/T reeds op die datum aan belanghebbende telefonisch heeft meegedeeld dat de opvanggegevens voor het desbetreffende kind opnieuw waren geregistreerd. Daarmee was de fout feitelijk al hersteld voordat belanghebbende de beschikking van 21 juni 2012 ontving. Dat belanghebbende van de fout enige materiële schade heeft geleden, is gesteld noch gebleken. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van zodanige bijzondere omstandigheden dat UHT hier niet mocht vasthouden aan haar gehanteerde uitvoeringspraktijk. Daarnaar gevraagd heeft belanghebbende ter zitting weliswaar betoogd dat zij gedurende de vijf weken tussen het telefoongesprek van 13 juni 2012 en de opwaartse beschikking van 21 juli 2012 – mede vanwege eerdere negatieve ervaringen van haar echtgenoot met B/T – ernstige vrees bleef houden voor de gevolgen van een mogelijke terugvordering en niet geloofde dat de fout daadwerkelijk was opgelost. Dit betoog, niet ondersteund met medische bescheiden, is echter onvoldoende om ter zake anders te oordelen. UHT heeft zich dus op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake was van “schade” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef, van de Wht. Voor zover belanghebbende op dit punt nog heeft beoogd te betogen dat sprake zou zijn van hardheid, moet dit betoog falen omdat niet is voldaan aan het element “schade” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht en hardheid dus reeds hierom niet aan de orde kan komen. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing, de overgelegde stukken en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Aangezien de Commissie zal adviseren de bezwaren ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter