BAC 2025-15887
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 oktober 2024 (UHT-DCHO)
Overdracht advies aan UHT: 7 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 9 oktober 2024.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.120 voor toeslagjaar 2005 en geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor toeslagjaar 2006.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 1999 tot en met 2009. In overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2005 en 2006 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 4 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij op grond van de Catshuisregeling in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, maar dat de beoordeling nog niet afgerond.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 september 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat ten aanzien van toeslagjaar 2006 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij voorlopig besluit van 16 augustus 2024, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.028 voor toeslagjaar 2005.
- UHT heeft bij bestreden besluit van 9 oktober 2024, met kenmerk UHT-DCHO, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.120 voor toeslagjaar 2005 en aan belanghebbende geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor toeslagjaar 2006.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 oktober 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 6 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- De Commissie heeft gemachtigde 12 februari 2026 verzocht om aan te geven of belanghebbende van haar recht om gehoord te worden gebruik wenst te maken. Daarnaast is gemachtigde in de gelegenheid gesteld om uiterlijk vijf weken na 12 februari 2026, op 19 maart 2026, aanvullende bezwaargronden in te dienen indien belanghebbende niet wilde worden gehoord.
- Op 24 februari 2026 heeft gemachtigde namens belanghebbende te kennen gegeven dat geen behoefte bestaat om het bezwaar tijdens een hoorzitting mondeling toe te lichten. Van de mogelijkheid om aanvullende gronden in te dienen is niet tijdig gebruik gemaakt.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het toeslagjaar 2005 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar besluit om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor toeslagjaar 2006 af te wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.
Onvolledig dossier/persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn op 29 december 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling per toeslagjaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Werkelijke schade
Belanghebbende voert aan dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend. De Commissie overweegt als volgt.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Gedupeerde ouders, die vinden dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de KOT dan zij in de Integrale Beoordeling (IB) vergoed hebben gekregen, kunnen zich aanmelden bij een nieuw digitaal informatie- en Aanmeldportaal, via de website schadeherstel.toeslagen.nl.
De compensatieberekening
UHT heeft in het kader van de bezwaarprocedure de compensatieberekening volledig heroverwogen en geconstateerd dat deze een fout bevat. Bij component o, de toeslagrente over gemiste KOT, is een bedrag van € 10.878 opgenomen, terwijl dit € 10.857 had moeten zijn. De Commissie neemt kennis van het standpunt van UHT dat het bedrag in de beslissing op bezwaar niet aangepast zal worden omdat dit bedrag in het voordeel van belanghebbende is.
Herbeoordeling toeslagjaar 2006
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2006 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over dit jaar was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend.
Ten aanzien van toeslagjaar 2006 heeft één neerwaartse correctie plaatsgevonden. Dit was het gevolg van een stopzetting van de KOT door belanghebbende per 11 juli 2006. Belanghebbende heeft de stopzetting niet betwist. De bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter