BAC 2025-15879
Publicatiedatum 09-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH
Hoorzitting: 6 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 18 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 3 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 111.634 voor de toeslagjaren 2008 en 2009 en voor de maanden januari tot en met mei 2011. Over de maanden juni tot en met december 2011 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 en 2009. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is de herbeoordeling uitgebreid met toeslagjaar 2011.
- UHT heeft bij besluit van 24 februari 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 juni 2022 aan UHT toegezonden. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2008, 2009 en de periode januari tot en met mei 2011 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Over de periode juni tot en met december 2011 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 115.074.
- UHT heeft bij beschikking van 3 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende compensatie toegekend van €111.634 voor de toeslagjaren 2008, 2009 en de periode januari tot en met mei 2011. Over de maanden juni tot en met december 2011 heeft belanghebbende geen recht op compensatie.
- De gemachtigde heeft bij brief van 10 juli 2024 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 28 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 19 november 2025 heeft de gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
- UHT heeft op 10 december 2025 een aanvullende beschouwing ingebracht.
- De gemachtigde heeft op 30 december 2025 het bezwaar aangevuld.
- Op 15 januari 2026 heeft UHT een nadere aanvullende beschouwing ingebracht.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) bezwaargronden van belanghebbende:
- geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier;
- het niet tijdig definitief beslissen volgens artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
- registratie van de kinderopvanginstelling;
- gebruik van informatie uit de KOI-viewer;
- opname op de FSV-lijst;
- opzet/grove schuld (hierna: O/GS)-kwalificatie;
- discriminatie;
- beoordeling per jaar;
- hoogte van de KOT;
- forfaitaire bedragen materiële en immateriële schade;
- vergoeding van aanvullende schade;
- niet herbeoordeelde jaren.
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet beschikt over alle benodigde informatie om de bestreden beschikking te kunnen controleren. Zij beschikt namelijk niet over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. Volgens belanghebbende kan zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing van 28 april 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken zijn op 6 oktober 2025 aan belanghebbende toegezonden.
Op 10 december 2025 en 15 januari 2026 heeft UHT, onder verwijzing naar aanvullende producties, nadere beschouwingen ingebracht.
De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van de stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn indien belanghebbende een concreet aanknopingspunt aandraagt waaruit volgt dat het persoonlijk dossier of aanvullende stukken moeten worden afgewacht. Daarvan is in dit geval geen sprake. De enkele mogelijkheid dat – bij onbekendheid met de stukken in dat dossier – nog relevante informatie ontbreekt, is daarvoor onvoldoende. Gelet op het vorenstaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Het niet tijdig definitief beslissen volgens artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir)
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Registratie van de kinderopvanginstelling
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) haar niet behoren te worden tegengeworpen.
De Commissie stelt vast dat in het geval van belanghebbende is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan zij gebruik heeft gemaakt. In het toeslagjaar 2011 is de KOT stopgezet omdat een LRK-registratie ontbrak. Nu belanghebbende hiervan niet op de hoogte is gebracht, is sprake van vooringenomenheid. In de beschouwing van UHT van 28 april 2025 is toegelicht dat belanghebbende hiervoor wordt gecompenseerd. Voor de toeslagjaren 2008 en 2009 speelt deze problematiek niet.
De Commissie stelt op grond van het voorgaande vast dat belanghebbende wordt gecompenseerd en dat haar in deze bezwaarprocedure niet wordt tegengeworpen dat een geldige registratie van een KOI ontbrak. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Gebruik van informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de KOI-viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat B/T aan de informatie uit de KOI-viewer had behoren te twijfelen. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Opname op de FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet langer in gebruik is en uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een specifieke bevoegdheid. UHT beschikt niet over voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
UHT heeft in de beschouwing van 10 december 2025 verwezen naar de FSV-sanctiecheck. Uit deze check blijkt dat belanghebbende niet op de FSV-lijst is opgenomen. Daarmee heeft UHT aannemelijk gemaakt dat geen nadere informatie kan worden verstrekt. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
O/GS-kwalificatie
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 15 januari 2026 toegelicht dat belanghebbende uitsluitend voor het toeslagjaar 2008 een O/GS-kwalificatie had. B/T is er destijds van uitgegaan dat belanghebbende bij de aanvraag van KOT opzettelijk onjuiste gegevens had verstrekt.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2008 is gecompenseerd wegens vooringenomenheid en dat deze compensatieregeling gunstiger is dan de O/GS-tegemoetkoming. De Commissie komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de O/GS-kwalificatie voor het toeslagjaar 2008.
Uit het document “wel O/GS” in de onderliggende stukken blijkt dat uitsluitend voor het toeslagjaar 2008 sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie. De Commissie is van oordeel dat UHT hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende alleen voor dit toeslagjaar voldeed aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming vanwege een O/GS-kwalificatie. Voor de toeslagjaren 2009 en 2011 voldeed belanghebbende niet aan de voorwaarden voor een O/GS-tegemoetkoming, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.
Discriminatie
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie wegens discriminatie, vooringenomenheid of onbillijke hardheid concreet moet worden aangetoond dat het bestuursorgaan onzorgvuldig heeft gehandeld of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgetreden. Daarbij dient aannemelijk te worden gemaakt dat dit handelen daadwerkelijk tot schade heeft geleid. Het enkele bestaan van een risicoprofiel, een intern signaal of een intensievere controle vormt op zichzelf onvoldoende grond voor compensatie. Vereist is dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen het handelen van het bestuursorgaan en een nadelige beslissing of situatie voor belanghebbende.
In het onderhavige geval heeft belanghebbende weliswaar gesteld dat zij is gediscrimineerd, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd met concrete feiten, omstandigheden of stukken. De Commissie merkt daarbij op dat van degene die zich op deze gronden beroept mag worden verwacht dat dit standpunt deugdelijk wordt gemotiveerd. Gelet op het voorgaande acht de Commissie deze bezwaargrond ongegrond.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Gelet op deze overweging treft deze bezwaargrond geen doel.
Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Forfaitaire bedragen materiële en immateriële schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van vaste (“forfaitaire”) vergoedingen. De Commissie heeft in de stellingen van belanghebbende geen aanleiding gevonden om te oordelen dat in dit geval het in de Wht neergelegde compensatiestelsel buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de werkelijke immateriële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade en dat in alle fases van toekenning is voorzien in rechtsbescherming.
Vergoeding van aanvullende schade
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd.
Niet herbeoordeelde jaren
De gemachtigde voert in bezwaar aan dat ook het toeslagjaar 2010 bij het verzoek tot herbeoordeling moet worden betrokken. In de aanvullende beschouwing van 15 januari 2026 heeft UHT de toeslagjaren 2005 tot en met 2007, 2010 en 2012 tot en met 2019 beoordeeld. Uit deze beoordeling volgt dat belanghebbende over deze jaren geen recht heeft op compensatie.
De Commissie kan over deze jaren echter eerst advies uitbrengen nadat UHT naar aanleiding van de herbeoordeling een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Als deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, kan zij daartegen, indien zij dat wenst, een bezwaarschrift indienen.
De Commissie ziet zich voorts gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009 en de periode januari tot en met mei 2011 op juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden juni tot en met december 2011 af te wijzen.
Toewijzing van compensatie over de jaren 2008, 2009 en januari tot en met mei 2011 Belanghebbende voert aan dat zij in het toeslagjaar 2009 bezwaar heeft gemaakt en daarbij rechtsbijstand van een advocaat heeft ontvangen. Volgens belanghebbende is de vergoeding voor juridische bijstand in de compensatieberekening onjuist vastgesteld.
Vergoeding voor juridische hulp
Op grond van artikel 2.2, onderdeel f, in combinatie met artikel 2.3, zesde lid, van de Wht wordt een forfaitaire vergoeding toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze kosten niet eerder zijn vergoed. De kosten worden vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), met een wegingsfactor van twee.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2008 een bezwaarprocedure is gestart, ingeleid met een bezwaarschrift. In aansluiting daarop heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Belanghebbende heeft voor deze procedure gebruikgemaakt van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zodat sprake is van twee procespunten met een wegingsfactor van twee. In de bestreden beschikking is een bedrag toegekend van € 3.036, terwijl dit € 3.348 had moeten zijn, uitgaande van het per 1 januari 2023 geldende tarief van € 837 per procespunt. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt de vergoeding € 934 per punt. Nu het bezwaar gegrond wordt verklaard, wordt de vergoeding vastgesteld op € 3.736.
Met betrekking tot het toeslagjaar 2009 heeft belanghebbende tegen de beslissing van 20 april 2011 zelf bezwaar gemaakt op 26 april 2011. Op 6 juni 2012 is het bezwaar ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland en daarbij gebruikgemaakt van professionele rechtsbijstand [naam]. Dit beroep is ingeleid met een beroepschrift en behandeld ter zitting, hetgeen resulteert in twee procespunten met een wegingsfactor van twee. De rechtbank heeft op 11 juni 2013 het beroep deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond.
Voor het deel dat niet-ontvankelijk is verklaard, heeft B/T gewezen op de beslissing op bezwaar van 6 juni 2012, die als primaire beslissing moet worden aangemerkt. Hierop volgde alsnog een beslissing op bezwaar van 26 juni 2013. Het bezwaarschrift komt overeen met het beroepschrift dat heeft geleid tot de uitspraak van 11 juni 2013. De Commissie is van oordeel dat deze proceshandeling niet opnieuw als procespunt hoeft te worden meegeteld. Tegen de beslissing op bezwaar van 26 juni 2013 is beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, hetgeen bij uitspraak van 2 juli 2013 ongegrond is verklaard. Dit heeft geresulteerd in twee procespunten met een wegingsfactor van twee. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zonder behandeling ter zitting, waarvoor één procespunt met een wegingsfactor van twee wordt toegekend.
Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende voor het toeslagjaar 2009 recht op vijf procespunten met een wegingsfactor van twee. De totale vergoeding bedraagt € 9.340.
Deze bezwaargrond treft, gelet op het voorgaande, doel. Rentevergoeding voor gemiste KOT UHT heeft de rentevergoeding voor de gemiste KOT opnieuw berekend en is daarbij uitgegaan van het volgende wettelijke kader. Op grond van artikel 2.2, onderdeel g, in samenhang met artikel 2.3, zevende lid, van de Wht wordt rente vergoed over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van een neerwaartse correctiebeschikking. Deze rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
UHT heeft in de beschouwing van 28 april 2025 toegelicht dat de rentevergoeding voor de gemiste KOT over de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 niet juist is berekend en dat deze respectievelijk € 16.347, € 11.206 en € 3.191 zou moeten bedragen. Omdat de bedragen over de jaren 2008 en 2009 hoger uitvallen, worden deze wijzigingen doorgevoerd. Voor het toeslagjaar 2011 wordt uitgegaan van een bedrag van € 3.435. Daarmee dient te worden uitgegaan van rentevergoedingen van € 16.347, € 11.206 en € 3.435.
De Commissie kan zich met deze vastgestelde bedragen verenigen. Vergoeding voor de immateriële schade
In artikel 2.3, vierde lid, van de Wht is bepaald dat voor de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade moet worden uitgegaan van de datum van de eerste neerwaartse correctiebeschikking. De Commissie kan zich verenigen met het standpunt van UHT om 14 november 2008 als startdatum aan te houden, zijnde de datum van de eerste neerwaartse bijstelling van de KOT.
Nu het bezwaarschrift van belanghebbende gegrond wordt verklaard, loopt de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade door tot de datum van de beslissing op bezwaar. Als gevolg van de hiervoor genoemde aanpassingen zal ook de aanvullende vergoeding van 1% worden gewijzigd.
Stopzetting vanaf 1 juni 2011 en afwijzing van compensatie over de maanden juni tot en met december 2011
Belanghebbende stelt dat zij, doordat de KOT niet werd uitbetaald, geen kinderopvang meer kon afnemen.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Volgens UHT deed deze situatie zich voor over de maanden juni tot en met december 2011, nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Uit de onderliggende stukken is de Commissie gebleken dat belanghebbende op 5 september 2011 de KOT met ingang van 1 juni 2011 heeft stopgezet. In het door haar zelf opgestelde bezwaarschrift van 31 augustus 2011 heeft zij dit eveneens vermeld. De daarin genoemde einddatum van de kinderopvang stemt bovendien overeen met het later ondertekende informatieformulier van 1 december 2013. Belanghebbende heeft de juistheid van dit standpunt nadien niet gemotiveerd bestreden.
Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende heeft verkeerd in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden.
Belanghebbende komt voor de maanden juni tot en met december 2011 dan ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Deze bezwaargrond treft, gelet op het voorgaande, geen doel.
Gelet op het voorgaande verklaart de Commissie het bezwaarschrift, voor zover gericht tegen de beschikking van 3 februari 2023, gedeeltelijk gegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu de bestreden beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (indienen van een bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2.
Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- de bezwaren tegen de beschikking van 3 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- in de compensatieberekening de vergoeding voor juridische hulp voor het toeslagjaar 2008 vast te stellen op € 3.736 en voor het toeslagjaar 2009 op €9.340, de rentevergoeding voor gemiste KOT voor de jaren 2008 en 2009 aan te passen naar respectievelijk € 16.347 en € 11.206, de immateriële schadevergoeding te laten doorlopen tot de datum van de beslissing op bezwaar en de aanvullende vergoeding opnieuw te berekenen;
- voor deze bezwaarprocedure een proceskostenvergoeding toe te kennen van één procespunt met een wegingsfactor van 2, tegen het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter