Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15871

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 mei 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: Niet gehouden op verzoek van belanghebbende

Overdracht advies aan UHT: 29 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 1.043,- voor het jaar 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2013. 

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij besluit van 29 juni 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013. De CvW heeft geadviseerd dat voor toeslagjaar 2012 een O/GS-tegemoetkoming zou moeten worden toegekend.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 13 mei 2024, met kenmerk UHT-DCHO, aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 1.043,- voor toeslagjaar 2012. Voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 is geen vergoeding toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 29 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • De Commissie stuurde 27 november 2025 aan gemachtigde een e-mailbericht met de volgende inhoud. De Commissie verzoekt gemachtigde om binnen twee weken per antwoordmail aan te geven of ook in deze zaak wordt afgezien van het recht te worden gehoord. Als belanghebbende gehoord wil worden, zal een hoorzitting worden gepland. Als dit bericht de Commissie niet binnen de gestelde termijn van twee weken bereikt, zal de Commissie op de stukken adviseren. Bij de advisering op de stukken staat het gemachtigde vrij om gedurende een periode van drie weken te rekenen vanaf de laatste dag van de hierboven bedoelde periode van twee weken nog extra punten/stukken in te dienen. Deze zal de Commissie dan met UHT delen, maar de Commissie zal bij ontvangst hiervan in beginsel niet verder wachten met het uitbrengen van advies aan UHT. De Commissie zal wel rekening houden met de bedoelde eventuele extra punten/stukken die van gemachtigde ontvangen zijn. De Commissie zal UHT (of UHT en vervolgens gemachtigde weer) slechts dan ruimte bieden voor een reactie als de Commissie van oordeel is dat een dergelijke extra schriftelijke ronde noodzakelijk is om tot een advies te komen.
  • Gemachtigde heeft op 11 januari 2026 de bezwaargronden aangevuld.
  • UHT heeft daarop op 24 februari 2026 gereageerd en aanvullende stukken ingediend.
  • Gemachtigde heeft vervolgens bij mailbericht van 11 maart 2026 op de nadere beschouwing van UHT gereageerd. 
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de O/GS-tegemoetkoming voor toeslagjaar 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2013 af te wijzen.

De waarde van hoor en wederhoor
De Commissie constateert dat de belanghebbende blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van het aanvullende bezwaar van de gemachtigde over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

Dossier
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier volgt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft kennelijk niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

O/GS, onderliggende stukken
Belanghebbende verzoekt UHT aan te geven waarom sprake was van een O/GSkwalificatie voor toeslagjaar 2012 en verzoekt in het aanvullend bezwaarschrift om alle O/GS-stukken. Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken. Belanghebbende wordt in haar procesbelang geschaad doordat zij niet over de O/GS-stukken beschikt.

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat door de Centrale Administratieve Processen (hierna: CAP) is vastgesteld dat sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. Belanghebbende is hiervoor gecompenseerd. 

De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de stukken die van belang zijn geweest voor de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 20252026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Discriminatie
Aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, zijn door de Commissie in de ter beschikking staande stukken niet gevonden.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T  is de Commissie  van opvatting dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Werkelijk geleden schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie uit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die twijfel wekken aan de juistheid van die informatie. Belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan voormelde twijfel kan worden gekoesterd. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. De Commissie heeft uit de stukken van de zaak niet kunnen opmaken  dat er gebreken waren in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Omissies / niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT te beoordelen, zoals die destijds definitief werd vastgesteld. De Wht is echter bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte O/GS kwalificatie. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt daarmee buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende voert aan dat de herbeoordeelde jaren niet op zichzelf staan.
Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie.
De Commissie wijst op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).  Het is dus niet de bedoeling van de wetgever geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch in enig jaar door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid. De stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden in enig jaar acht de Commissie daarom onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2010
Gemachtigde heeft in het mailbericht van 11 maart 2026 meegedeeld dat dit toeslagjaar buiten beschouwing kan worden gelaten.

Toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt dat over dit jaar de hoogte van de KOT niet juist is vastgesteld. B/T had niet zonder jaaropgave en enkel op basis van informatie uit de KOI-viewer tot een definitieve beschikking mogen komen.

De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat de KOT over toeslagjaar 2011 overeenkomstig de aanvraag van belanghebbende is toegekend en dat sprake is geweest van één neerwaartse bijstelling naar aanleiding van een wijziging in van het toetsingsinkomen. Deze wijziging heeft geleid tot de definitieve beschikking van 4 juli 2012. Dit betreft een reguliere wijziging. Van vooringenomen handelen is dan geen sprake.

Voor zover in het bezwaar van belanghebbende besloten ligt dat onjuiste opvanggegevens zijn verwerkt in de KOI-viewer, merkt de Commissie op dat dergelijke, eventuele omissies uitsluitend via een herzieningsverzoek kunnen worden gecorrigeerd.

De Commissie verwijst naar wat hierover reeds is overwogen onder het kopje “Omissies/niet toegekende KOT”. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012
Belanghebbende betoogt dat zij over toeslagjaar 2012 in aanmerking komt voor compensatie vanwege vooringenomen handelen door B/T. De wijzigingen per
1 februari 2012 en de stopzetting per 1 juni 2012 hebben plaatsgevonden op basis van door derden aangeleverde informatie. B/T had niet zonder navraag bij belanghebbende tot verlaging had mogen overgaan. Verder stelt belanghebbende dat B/T ten onrechte de urenwijziging per 1 februari 2012 heeft toegepast voor beide kinderen, terwijl de wijziging voor slechts één kind gold.

De Commissie leidt uit het ouderdossier af dat de eerste verlaging KOT heeft plaatsgevonden naar aanleiding van door belanghebbende doorgegeven wijzigingen (producties 2700001, 2700008 en 2700009). Uit productie 2700001 (blz 299) volgt dat voor kind 1 melding is gemaakt van kinderopvang per 1 januari 2012 voor 114 uur per maand. Op 23 januari 2012 is voor kind 1 een (uren)wijziging doorgegeven per 1 februari 2012 van 103 uur bij KDV (productie 270009). Voor kind 2 is per 1 januari 2012 eveneens melding gemaakt van opvang bij KDV voor 114 uur per week (productie 2700008). Met een melding van 23 januari 2012 is ook voor kind 1 een (uren)wijziging doorgegeven per 1 februari 2012 van 103 uur per maand bij KDV (productie 2700001, blz 297). Gelet hierop concludeert de Commissie dat de doorgegeven urenwijziging per 1 februari 2012, anders dan belanghebbende stelt, zowel betrekking heeft op kind 1 als op kind 2. Er zijn geen aanwijzingen dat B/T aanleiding had om aan de juistheid van deze meldingen te twijfelen. Hierbij neemt de Commissie in aanmerking dat de KOI-viewer aangeeft dat vanaf 1 februari 2012 voor beide kinderen 103 uur opvang is afgenomen.

De tweede neerwaartse bijstelling is het gevolg van een telefonische stopzetting van de KOT op 19 september 2012 per 1 juni 2012. Belanghebbende betwist dat deze stopzetting door haar is gedaan.

De Commissie merkt op dat B/T naar aanleiding van de stopzetting de beschikking van 23 oktober 2012 heeft afgegeven, waarbij de KOT is bijgesteld. Uit de stukken blijkt niet dat belanghebbende hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Uit het LIC-overzicht van 2012 volgt dat de KOT tot begin oktober 2012 op het rekeningnummer van belanghebbende is overgemaakt. Nadien is de KOT niet meer op haar rekening overgemaakt. Als de  stopzetting niet door of namens belanghebbende zou zijn gedaan, had het voor de hand gelegen dat zij bezwaar zou hebben aangetekend tegen voornoemde beschikking, dan wel bij B/T melding zou hebben gemaakt van het uitblijven van de betaling KOT.

Gelet op het voorgaande, is de Commissie van opvatting dat bij de behandeling van de KOT voor het toeslagjaar 2012 geen sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T, dan wel van hardheid van het stelsel. Voor zover over dit toeslagjaar terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Anders dan belanghebbende stelt vormt het gegeven dat in dit toeslagjaar sprake was van een onterechte O/GS-kwalificatie geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter