BAC 2025-15862
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 24 januari 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: Niet gehouden
Overdracht advies aan UHT: 24 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluitcompensatie kinderopvangtoeslag van 24 januari 2024 (UHT-DCHO), hierna: het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 37.983,- voor de jaren 2007, 2012 en 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, 2008, 2009, 2010, 2011, 2013, 2015, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008, 2012 tot en met 2015, 2018 en 2019. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit aangepast naar de jaren 2005 tot en met 2019, met uitzondering van 2016 en 2017 omdat in die jaren geen KOT is gevraagd.
- UHT heeft bij besluit van 1 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, als bedoeld in de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 26 oktober 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2005, 2006, 2008 tot en met 2011, 2013, 2015, 2018 en 2019.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 37.983,- voor de jaren 2007, 2012 en 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, 2008, 2009, 2010, 2011, 2013, 2015, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 maart 2024, ingekomen op 1 maart 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 12 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 16 december 2021 per brief bevestigd dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld,
op 2 februari 2026 namens belanghebbende schriftelijk gereageerd op de beschouwing van UHT. - UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 17 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vragen of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2007, 2012 en 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005, 2006, 2008, 2009, 2010, 2011, 2013, 2015, 2018 en 2019 af te wijzen.
Dossier
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit.
Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
FSV, O/GS en discriminatie
Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst.
Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt. De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in de beschouwing heeft toegelicht dat alleen over toeslagjaar 2014 sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. Voor de overige beoordeelde toeslagjaren is geen sprake geweest van een O/GS-kwalificatie. In het dossier is geen verzoek van belanghebbende om een betalingsregeling, buiten toeslagjaar 2014, aangetroffen.
Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken.
De Commissie adviseert UHT de bezwaren op deze punten ongegrond te verklaren.
Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.
Werkelijk geleden schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is.
De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.
Omissies/niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken:
“Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.”
(Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Heroverweging door UHT
Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT de bestreden beschikking heroverwogen. Uit de beschouwing van UHT volgt dat deze heroverweging niet leidt tot een aanpassing van de compensatieberekening. De Commissie overweegt dat de conclusies van UHT, die door belanghebbende niet meer inhoudelijk bestreden zijn, navolgbaar zijn en steun vinden in het dossier. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskosten
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter