Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15855

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 11 januari 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 20 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 31 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2011.

Procesverloop

  • Op 23 juni 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor toeslagjaar 2009. In overleg met belanghebbende ziet de herbeoordeling op de toeslagjaren 2010 en 2011.
  • Op 22 maart 2022 heeft UHT op basis van de eerste toets aangegeven dat belanghebbende vooralsnog niet in aanmerking komt voor een betaling op grond van de Catshuisregeling.
  • Op 27 december 2023 heeft UHT als vooraankondiging aangegeven dat belanghebbende geen recht heeft op een herstelregeling.
  • Op 11 januari 2024 heeft UHT besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie.
  • Op 23 januari 2024 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 11 februari 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 20 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Naar aanleiding van hetgeen besproken op de hoorzitting is op 3 februari 2026 een aanvullende schriftelijke reactie met bijbehorende producties ontvangen van UHT. Op 10 februari 2026 heeft gemachtigde hier op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Tussen partijen is niet in geschil dat het kind in de periode waarvoor de KOT is aangevraagd geen opvang heeft genoten. De KOT voor toeslagjaar 2010 is op
28 november 2010 aangevraagd met het BSN-nummer van belanghebbende.
Op 24 december 2010 is een bedrag van € 10.469 aan KOT uitgekeerd op het rekeningnummer van de toenmalige partner van belanghebbende. Voor toeslagjaar 2011 is in totaal een bedrag van € 3.410 aan KOT uitbetaald op het rekeningnummer van de toenmalige partner. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft de KOT voor beide toeslagjaren bij belanghebbende teruggevorderd.

Gemachtigde stelt dat er tot april 2011 geen koppeling was tussen DigiD en het BSN nummer. Met een eigen DigiD konden met het BSN-nummer van iemand anders overheidszaken worden geregeld. In dit geval heeft de toenmalige partner van belanghebbende, zonder zijn medeweten, met zijn BSN-nummer KOT aangevraagd. De KOT is op het rekeningnummer van de toenmalige partner gestort. De KOT werd vervolgens bij belanghebbende teruggevorderd. Deze mogelijkheid van misbruik werd door de B/T gefaciliteerd. Volgens gemachtigde is daarom sprake van vooringenomenheid.

UHT stelt dat belanghebbende in gesprekken met de persoonlijk zaakbehandelaar van UHT heeft aangegeven zijn DigiD aan zijn toenmalige partner te hebben gegeven voor het regelen van administratieve zaken en om hem te helpen met het vinden van werk. Deze situatie komt volgens UHT niet in aanmerking voor compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid. Het delen van de DigiD inloggegevens met derden komt voor rekening en risico van de ouder. UHT stelt daarnaast dat, gezien het mogelijke misbruik van persoonsgegevens door een bekende derde van belanghebbende, deze kwestie door belanghebbende via een civiele rechtszaak aanhangig gemaakt kan worden, waarbij de aansprakelijkheid van de bekende derde onderzocht kan worden.

De Commissie overweegt als volgt. Uit het bezwaardossier blijkt dat de KOT is aangevraagd met het BSN-nummer van belanghebbende (productie 1210001).
Op het moment van de KOT-aanvraag stonden belanghebbende en de zoon waarvoor KOT werd aangevraagd, ingeschreven op hetzelfde adres. De voorschotbeschikkingen zijn ook verstuurd naar het adres van belanghebbende. Niet blijkt dat belanghebbende in die periode was gedetineerd, zoals wel door belanghebbende was betoogd.

Uit hoofdstuk 3.4.4 van het Handboek Integrale Beoordeling - Vaktechniek volgt dat wanneer een ouder slachtoffer is van een frauduleuze derde en de KOT is uitbetaald aan deze derde, dat aanleiding kan geven voor recht op compensatie vanwege hardheid. In dit geval is de Commissie echter van oordeel dat de toenmalige partner van belanghebbende, met wie hij een kind heeft, niet aangemerkt kan worden als een in hoofdstuk 3.4.4 bedoelde frauduleuze derde. Daarnaast heeft belanghebbende door het delen van zijn persoonsgegevens, bewust of onbewust, een faciliterende rol gespeeld, welke voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. Niet aannemelijk is geworden dat sprake was van frauduleuze handelingen. De door gemachtigde gestelde tot april 2011 ontbrekende koppeling tussen DigiD en het BSN-nummer, doet daaraan niet af.

Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het standpunt van UHT onjuist te achten. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier het standpunt van belanghebbende te volgen. De Commissie is verder van oordeel dat met het schriftelijke verweer, hetgeen besproken is ter hoorzitting en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen. Uit het bezwaardossier blijkt voorts dat tijdens de voorbereiding van de besluitvorming meerdere malen (mail)contact is geweest tussen de persoonlijk zaakbehandelaar en gemachtigde. De Commissie acht het bezwaar ongegrond.

Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft bij gebrek aan wetenschap gesteld dat B/T in het verleden geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en neemt daarom het standpunt in dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie begrijpt de stellingname van belanghebbende aldus dat bij een eventuele verrekening geen rekening met de beslagvrije voet is gehouden. De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GSkwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Aan de bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter