BAC 2025-15849
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 oktober 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: N.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 12 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een vergoeding voor proceskosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag 23 oktober 2024 (UHT-DCHO).
Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 18.886,- voor de maanden september tot en met november 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2013 en de maanden januari tot en met augustus en december 2014. Voor de maanden januari tot en met augustus en december 2014 is een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend van
€ 1.420,-.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2014.
- UHT heeft bij besluit van 23 juni 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belang-hebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 18.886,- voor de maanden september tot en met november 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2013 en de maanden januari tot en met augustus en december 2014. Voor de maanden januari tot en met augustus en december 2014 is een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend van € 1.420,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 november 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 8 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 29 januari 2026 per brief bevestigd dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft, na daartoe door de Commissie in de gelegenheid te zijn gesteld, op 2 april 2026 het bezwaarschrift aangevuld. UHT heeft daar op
30 april 2026 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de maanden september tot en met november 2014 en de O/GS-tegemoetkoming voor de maanden januari tot en met augustus en december 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 tot en met 2013 af te wijzen.
Hoor en wederhoor
De Commissie constateert dat de belanghebbende, blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvulling op het bezwaar van de gemachtigde, over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de Commissie. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De Commissie volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de Commissie, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.
De Commissie heeft ook kennisgenomen van de passages uit de aanvulling op het bezwaar van de gemachtigde over de planning van de (zeer vele) bezwaar-procedures bij de Commissie waarin zij als gemachtigde optreedt.
De Commissie merkt op dat er overleg met de gemachtigde heeft plaatsgevonden. Op 15 februari 2026 heeft de gemachtigde laten weten dat het bij een welwillende houding van de Commissie ten aanzien van eventuele uitstelverzoeken goed zou moeten komen. Op 19 februari 2026 heeft de Commissie gesteld dat binnen redelijke grenzen incidentele uitstelverzoeken inderdaad niet zonder welwillendheid worden bezien.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van verlagingen of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de memorie van toelichting op het desbetreffende wetsvoorstel is dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Kamerstukken II, 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) eenmaal vooringenomen heeft gehandeld of er eenmaal relevante bijzondere omstandigheden zijn geweest, acht de Commissie daarom in haar algemeenheid onjuist.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Fraude Signaleringsvoorziening (hierna FSV), Opzet/Grove Schuld kwalificatie (Hierna O/GS) en discriminatie
Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt. De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in de beschouwing heeft toegelicht dat alleen over toeslagjaar 2014 sprake is geweest van een onterechte O/GSkwalificatie. Voor de overige beoordeelde toeslagjaren is geen sprake geweest van een O/GS-kwalificatie.
Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken.
De Commissie adviseert UHT de bezwaren op deze punten ongegrond te verklaren.
Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar.
Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.
Werkelijk geleden schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.
Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden die zijn vermeld op www.schadeherstel.toeslagen.nl.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is.
De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.
Omissies/niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Code ‘HOTHOR’
Gemachtigde voert aan dat in het RKT-bestand staat dat belanghebbende in het HOTHOR (hoge toeslag, hoge risico) systeem is opgenomen, maar daarvan nooit in kennis is gesteld. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor een HOTHOR signalering dan personen met een Nederlandse achtergrond.
Volgens gemachtigde is belanghebbende daarom gediscrimineerd. Als dat volgens B/T niet zo is, dan is het aan B/T om dit aan te tonen.
In het geval van belanghebbende is een aantal keren – zo blijkt uit het bezwaardossier – het kenmerk HOTHOR (hoge toeslag/hoog risico) toegevoegd. Jaarlijks worden door B/T aanvragen voor KOT behandeld die een HOTHOR-signalering hebben. HOTHOR ontstaat wanneer op basis van een aanvraag of wijziging van KOT een toeslagbedrag wordt berekend dat boven de vastgestelde norm van € 20.000 uitkomt. In dat geval komt een automatische melding in het systeem. Er wordt dan een handmatige controle uitgevoerd om te kijken of de aanvraag of wijziging juist is opgegeven. Een dergelijke risico inventarisatie wordt volledig automatisch toegepast bij iedere burger bij het passeren van het normbedrag van € 20.000 en betreft een vorm van regulier toezicht. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van discriminatie is, uit de ter beschikking staande stukken onvoldoende gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassingen van de KOT voor de toeslagjaren 2010, 2011, 2012 en 2013 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
Voor toeslagjaar 2010 geldt dat de belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet en als gevolg daarvan de KOT is verlaagd tot nihil. Dit is een reguliere wijziging.
De KOT die aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is uitbetaald, is door die KOI ook weer terugbetaald aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Er is voor dit toeslagjaar geen KOT teruggevorderd bij belanghebbende. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie op dat belanghebbende heeft bevestigd dit toeslagjaar geen geregistreerde opvang te hebben afgenomen.
Voor de toeslagjaren 2011 en 2012 geldt dat het definitief berekende KOT-bedrag gelijk is aan het voorschot. Er is voor deze toeslagjaren geen KOT teruggevorderd bij belanghebbende.
Voor het toeslagjaar 2013 geldt dat de KOT alleen is verhoogd. Er is ook voor dit toeslagjaar geen KOT teruggevorderd bij belanghebbende.
B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders zoals die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning en/of aanpassing van de KOT voor de toeslagjaren 2010, 2011, 2012 en 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Temeer nu er voor deze toeslagjaren geen KOT is teruggevorderd bij belanghebbende.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
Dat belanghebbende in het toeslagjaar 2014 vooringenomen is behandeld door de B/T, staat niet ter discussie. Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden januari tot en met augustus en december 2014.
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat belanghebbende in de maanden juni, juli en december 2014 geen geregistreerde opvang heeft afgenomen. Op grond van art. 1.5 lid 1 van de destijds geldende Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wko) had belanghebbende voor deze maanden geen recht op KOT.
Tot oktober 2019 was het vaste rechtspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: RvS) dat “alle verschuldigde kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna [dienen] te worden voldaan om voor toepassing van de Wko in aanmerking te kunnen worden genomen. De reden hiervoor is gelegen in het belang van de Belastingdienst/Toeslagen om betrekkelijk kort na afloop van het kalenderjaar – aan de hand van de verstrekte gegevens over de tussen partijen gemaakte afspraken – definitief te kunnen vaststellen of voor dat jaar aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag en wat in dat geval de hoogte van de tegemoetkoming is.” ABRvS 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1114, r.o. 3.1.1.[1]
Voor de maanden januari tot en met mei 2014 heeft belanghebbende verklaard de KOTvoorschotten te hebben gebruikt om schulden af te lossen. De KOI is die maanden niet betaald. Dit betekent dat belanghebbende op grond van art. 1.7 Wko en vaste rechtspraak van de RvS voor die maanden geen recht had op KOT.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
De juistheid van de compensatieberekening is door belanghebbende betwist. UHT stelt zich op het standpunt dat het bezwaar op dit punt gegrond is omdat voor de berekening van component o, de gemiste toeslagrente, voor toeslagjaar 2014 verkeerde data zijn gebruikt. Belanghebbende heeft als gevolg hiervan minder gemiste rente gecompenseerd gekregen dan waar zij recht op heeft en UHT geeft aan dit te zullen herstellen in de beslissing op bezwaar.
Het is de Commissie gebleken dat de rentevergoeding over de gemiste KOT voor toeslagjaar 2014 inderdaad onjuist is vastgesteld. De correcte data en de daarop gebaseerde renteberekeningen zijn door UHT overgelegd bij haar schriftelijke reactie.
Uit deze schriftelijke reactie van UHT blijkt dat ook bij de berekening van de immateriële schadevergoeding (component n van de berekening) fouten zijn gemaakt. Nu de hoogte van deze component op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht is gemaximeerd, leidt verschuiving van de start- of einddatum echter niet tot het resultaat dat een hogere vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend.
De Commissie merkt op dat de aanpassingen in de berekening tevens tot gevolg heeft dat ook de aanvullende vergoeding van 1% zal moeten worden aangepast.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en om conform de toezeggingen in de nadere schriftelijke reactie te beslissen op bezwaar.
Overige bezwaren
De Commissie komt bij de overige onderdelen van het bezwaar tot het oordeel dat deze, zowel op zichzelf als in onderling verband bezien, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie (deels) gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT-DCHO (gedeeltelijk) te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (één punt: bezwaarschrift, geen hoorzitting).
De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
[1] Pas bij de uitspraak van de RvS van 23 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3535) is geoordeeld dat B/T bij een gedeeltelijke betaling van de kosten van KOT kan overgaan tot een andere vaststelling dan een nihilstelling van het recht op KOT.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- De beschikking met kenmerk UHT-DCHO te herroepen en de compensatie-berekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
- Een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter