BAC 2025-15839
Publicatiedatum 27-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 mei 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 15 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 29 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 23 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 september 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2015. UHT heeft de jaren 2015, 2016, 2017 en 2019 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 28 oktober 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2017 en 2019.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 augustus 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 3 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 april 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft bij nadere beschouwing van 9 april 2026 hierop gereageerd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 april 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 15 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 13 mei 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 19 mei 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
UHT heeft de herbeoordeling van de KOT ambtshalve uitgebreid met de toeslagjaren 2013, 2014 en 2018 en de uitkomsten daarvan kenbaar gemaakt in de schriftelijke beschouwing van 3 april 2024.
De Commissie merkt de beslissingen over deze jaren aan als onderdeel van het geschil en constateert dat deze jaren niet in geschil zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich, gelet op de gronden, gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen over de jaren 2015 en 2017.
Toeslagjaren 2015 en 2017
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is aangemerkt als gedupeerde. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft jegens haar vooringenomen gehandeld. Voor zowel 2015 als 2017 heeft B/T fouten gemaakt; aan belanghebbende is te weinig KOT toegekend. Het is daarom onterecht dat zij over 2015 een bedrag van €2.521,-moest terugbetalen.
Over 2017 blijkt uit de factuur over januari 2017 (productie 0800001) dat sprake was van 84,5 uur opvang per maand, in de definitieve beschikking is B/T echter uitgegaan van 76 uur. Dit geldt voor meerdere maanden.
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 13 mei 2026 toegelicht hoe de KOT beschikkingen ten aanzien van 2015 tot stand zijn gekomen. UHT heeft ook uitleg gegeven over het grote verschil tussen de toegekende KOT bij besluit van 29 december 2015 en de definitieve beschikking van 26 mei 2017. De verlaging van de KOT bij definitief besluit van 26 mei 2017 van €6.047,- naar €3.613,- heeft geleid tot de terugvordering waar belanghebbende op doelt, van €2.522,- blijkens het LIC-overzicht (productie 2800013).
UHT stelt dat de verlaging is gebaseerd op de door belanghebbende doorgegeven wijziging van het aantal opvanguren via het antwoordformulier dat B/T op 13 juli 2016 heeft ontvangen. Ook speelt de verhoging van het gezamenlijke toetsingsinkomen een bijkomende rol.
Belanghebbende heeft in het antwoordformulier ingevuld dat voor 552 uur opvang bij [naam KOI 1] is afgenomen; B/T is bij de toekenning van KOT uitgegaan van 559,8 uur.
Voor de opvang bij [naam KOI 1] is KOT toegekend conform de uren op de bij het antwoordformulier gevoegde jaaropgave.
Voor de opvang bij [naam KOI 2] is voor de maanden november en december 2015 abusievelijk KOT toegekend voor 29 uur per maand in plaats van 57,75 uur per maand, zoals blijkt uit de jaaropgave. Dit betreft een menselijke fout en geen vooringenomen handelen. In beginsel bestaat geen rechtsgrond om de KOT alsnog te herzien, aldus UHT.
Belanghebbende betoogt dat het op de weg van UHT had gelegen om deze toegegeven fout ambtshalve te corrigeren; het gaat om een enorm bedrag en een grove berekeningsfout met het gevolg dat er ten onrechte is teruggevorderd. UHT wijst ten onrechte niet op de mogelijkheid die het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek geeft voor ambtshalve herziening van de KOT bij het samenloopteam.
Belanghebbende doet daarnaast een beroep op hardheid; de terugvordering is onterecht bij haar teruggevorderd en bedroeg meer dan €1.500,-.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Belanghebbende verzoekt om een aanpassing van de hoogte van de KOT over de toeslagjaren 2015 en 2017 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht, tenzij sprake is van vooringenomen handelen. Daarvoor ziet de Commissie voor deze jaren geen aanleiding. Dat de KOT voor 2015 voor de opvang bij [naam KOI 2] op 29 uur in plaats van 57,75 is gebaseerd voor twee maanden is, naar de Commissie meent, niet het gevolg van vooringenomen handelen maar betreft een fout van B/T. Evenmin ziet de Commissie aanleiding om te adviseren om compensatie op grond van hardheid toe te kennen. Dat de terugvordering meer dan €1.500,- bedroeg, is hiervoor onvoldoende; daarnaast dient sprake te zijn van bijzondere omstandigheden, zoals het deels niet betalen van opvangkosten, fraude door een derde of een geringe formele tekortkoming, en daarvan is geen sprake.
Met betrekking tot de door B/T gemaakte fout over 2015 stelt de Commissie vast dat aan belanghebbende ten onrechte geen KOT is toegekend voor in totaal 57,75 uur voor een bedrag van €6,85 per uur. Dit is in totaal een bedrag van afgerond €396,- wat ten onrechte niet aan belanghebbende is toegekend. De Commissie adviseert UHT om te bezien of dit bedrag alsnog via ambtshalve herziening door het samenloopteam aan belanghebbende kan worden toegekend. Er is immers sprake van een evidente fout die door UHT volmondig wordt erkend. Dan is herstel daarvan – langs welke weg dan ook – passend te achten.
Over 2017 stelt de Commissie vast dat de KOT automatisch is gecontinueerd vanuit 2016 voor 76 uur opvang per maand opvang. Bij wijziging doorgegeven op 13 februari 2017 (productie 2800021) is dit gewijzigd door belanghebbende naar 65 uren opvang per maand met ingang van 1 februari 2017, en op grond daarvan is ook beschikt. Naar de Commissie meent, mocht B/T uitgaan van de destijds door belanghebbende zelf ingezette verlaging van uren. Er waren geen aanknopingspunten voor B/T om bij de vaststelling van de KOT te twijfelen aan het aantal opvanguren en hiernaar navraag te doen. De factuur over januari 2017 (productie 0800001) is blijkens het opschrift bovenaan, door belanghebbende ingestuurd aan de PZB’er. Daaruit leidt de Commissie af dat de factuur niet destijds al bij B/T bekend was en tot eventuele navraag over de maand januari 2017 had moeten leiden.
Van vooringenomen handelen is naar de Commissie meent daarom geen sprake. Anders dan namens belanghebbende is gesteld, dateert de (laatste) definitieve beschikking KOT 2017 van 1 mei 2020 in plaats van 16 maart 2018.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft verzocht om de onderliggende stukken opzet/grove schuld (O/GS).
De Commissie overweegt als volgt. Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.
Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval vooralsnog.
De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter