BAC 2025-15835
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 12 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht is gericht tegen de door UHT genomen beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 29 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009, 2010 en 2011.
Na overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2009 en 201 - UHT heeft bij besluit van 8 maart 2022 met kenmerk UHT CHR MGU aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, en dat de integrale beoordeling in gang wordt gezet.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 november 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerde lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2009 en 2010.
- UHT heeft bij het bestreden definitieve besluit van 29 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft op 5 april 2024 ontvangen 8 april 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 16 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift..
- Op 12 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden nadat een eerder geagendeerde hoorzitting op 18 december 2025 geen doorgang kon vinden.
Van deze hoorzitting is een verslag gemaakt dat achter het advies is gevoegd. - UHT heeft, daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld, op 10 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft hier op
9 april 2026 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar (aanvullende) beschouwing is opgemerkt.
Toeslagjaar 2009
Belanghebbende stelt dat haar voor het jaar 2009 geen compensatie is toegekend. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2009 institutioneel voorin-genomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2009 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen, te weten de opgave van een lager aantal opvanguren door belanghebbende, opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat haar voor het jaar 2010 geen compensatie is toegekend.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De neerwaartse wijziging van 27 mei 2010 was het gevolg van een door of namens belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT per
1 juni 2010. In het dossier is een XML-bestand van de desbetreffende (telefonische) stopzetting opgenomen. De Commissie acht het hiermee voldoende aannemelijk dat belanghebbende de KOT heeft willen stopzetten, en wijt de neerwaartse correctie aan een te hoog voorschot dat op basis van een reguliere wijziging is bijgesteld.
De neerwaartse correctie van 22 april 2014 is door B/T doorgevoerd op basis van een non-response door belanghebbende, nadat B/T eerst op 15 mei 2013 respectievelijk 23 september 2013 uitvraag bij belanghebbende had gedaan.
De Commissie constateert dat B/T de KOT pas op nihil heeft gesteld nadat zij voldoende had uitgevraagd. Van aanwijzingen dat hier sprake is van vooringenomen handelen jegens belanghebbende is hier niet gebleken.
Belanghebbende heeft in dit verband nog betoogd dat zij over het toeslagjaar 2010 in bezwaar is gegaan tegen laatstgenoemde neerwaartse correctie, en dat B/T vervolgens niets met dit bezwaar heeft gedaan. UHT heeft, daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld, in haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 10 maart 2026 toegelicht dat het indertijd door belanghebbende ingediende bezwaarschrift buiten de termijn is ingediend en derhalve niet-ontvankelijk is verklaard, waardoor het bezwaar niet inhoudelijk is behandeld.
De Commissie ziet hierin geen aanknopingspunten voor de conclusie dat deze problemen het gevolg waren van vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel, zoals gedefinieerd in de Wht.
Hier zij opgemerkt dat UHT in haar aanvullende schriftelijke beschouwing van
10 maart 2026 – naar aanleiding van de tijdens de hoorzitting gemaakte afspraken - heeft opgemerkt dat het desbetreffende gastouderbureau Dar el Hanan over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 betrokken is geweest bij een pre-CAF onderzoek. UHT heeft ter onderbouwing een aanvullende productie toegestuurd (prod. 2700007). De Commissie volgt UHT in zijn standpunt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet is gebleken dat de neerwaartse correctie over het toeslagjaar 2010 op enigerlei wijze verband houdt met het CAF-onderzoek. Het bezwaar kan op dit onderdeel niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.
Kosten rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit niet behoeft te worden herroepen, adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter