Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15831

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Overdracht advies aan UHT: 29 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit)

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2011 en het jaar 2017.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2011 en 2017.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2011 en het jaar 2017.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 juli 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 18 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op verzoek van belanghebbende heeft er geen hoorzitting plaatsgevonden.
    De Commissie heeft op 30 maart 2026 op basis van de stukken in het dossier in haar vergadering over het bezwaar gesproken en een nadere schriftelijke vraag gesteld aan UHT.
  • UHT heeft op 13 april 2026 schriftelijk gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 en 2017 af te wijzen.

Procedurele bezwaren: zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Het vertrouwensbeginsel is niet van toepassing nu er geen sprake is van een situatie waarin de B/T een concrete toezegging heeft gedaan waar belanghebbende op mocht vertrouwen. De bezwaren slagen niet.

Afgewezen toeslagjaren
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 en 2017 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De neerwaartse correcties KOT over deze jaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (wijzigingen in het gezamenlijk toetsingsinkomen, opvanguren en stopzetting door ouder) opnieuw berekend. De Commissie constateert dat de stopzettingen van de KOT in 2009 en 2011 telefonisch zijn doorgegeven.
De belnotities zijn door middel van XMLbestanden vastgelegd (pagina’s 132 en 165 van het bezwaardossier). De Commissie is van mening dat met het overleggen van deze stukken voldoende vaststaat dat belanghebbende de stopzettingen in 2009 en 2011 telefonisch heeft doorgevoerd. Zij heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen.

De door B/T doorgevoerde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid.

De Commissie heeft verder geen aanknopingspunten in het dossier kunnen vinden dat voor deze jaren een onterechte opzet/ grove schuld (O/GS) kwalificatie is vastgesteld zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. UHT heeft over deze jaren terecht geoordeeld dat er geen recht op compensatie bestaat. Het bezwaar is ongegrond.

Advies van de Commissie van Wijzen
Belanghebbende stelt dat is verzocht om een beoordeling van de Commissie van Wijzen (hierna: CvW). Deze beoordeling heeft om voor haar onbekende reden niet plaatsgevonden. UHT heeft de Commissie desgevraagd geïnformeerd dat een beoordeling door de CvW achterwege kan blijven als er over de feiten geen verschil van mening bestond tussen UHT en belanghebbende, en dat is volgens UHT het geval. UHT verwijst hierbij naar de werkwijze van de CvW, te vinden via de link:

https://herstel.toeslagen.nl/wpcontent/uploads/2022/12/cvw_2022.11.05_werkwijzecommissievanwijzen.pdf. De Commissie constateert op basis van de bezwaren dat belanghebbende de feiten zoals deze naar voren komen in het dossier, niet heeft betwist. De Commissie adviseert deze bezwaargrond ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van de bij bezwaar bestreden beschikkingen. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter