Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15828

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 24 juni 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 6 november 2025

Overdracht advies aan UHT: 3 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2012. Ten behoeve van het bestreden besluit heeft UHT de jaren 2007 tot en met 2009 opnieuw beoordeeld. Nadat bezwaar werd ingesteld en voorafgaand aan dit advies heeft UHT ook de jaren 2005 en 2006 herbeoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 juni 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2007 tot en met 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 4 maart 2024 met kenmerk UHT-VCH-A aan belanghebbende bekend gemaakt dat zij geen recht heeft op een herstelregeling.
  • Gemachtigde heeft op 3 mei 2024, naar aanleiding van de vooraankondiging, de zienswijze van belanghebbende kenbaar gemaakt.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 24 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 juni 2024, ingekomen op 24 juni 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 15 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 21 oktober 2025 ingekomen op 23 oktober 2025, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 5 november 2025 een nadere schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 6 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 11 november 2025 een aanvullende schriftelijke reactie toegestuurd. Gemachtigde heeft op 26 november 2025 op de aanvullende schriftelijke reactie van UHT gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Het toeslagjaar 2005

UHT heeft bij de voorbereiding van de hoorzitting vastgesteld dat belanghebbende ook voor het toeslagjaar 2005 KOT heeft ontvangen. Ter zitting heeft UHT aangeboden om te onderzoeken of het toeslagjaar 2005 alsnog in deze bezwaarprocedure kon worden herbeoordeeld. In haar aanvullende beschouwing van 11 november 2025 heeft UHT verslag gedaan van de herbeoordeling van het jaar 2005 en deze herbeoordeling toegelicht. Deze beschouwing is aan gemachtigde toegestuurd. Met betrekking tot het toeslagjaar 2005 heeft gemachtigde geen aanvullende gronden naar voren gebracht. Het jaar 2005 werd niet door UHT in de herbeoordeling betrokken.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) een beschikking daarover heeft gegeven. De Commissie heeft kennis genomen van de herbeoordeling van het toeslagjaar 2005 en adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Het toeslagjaar 2006

Uit het bezwaardossier heeft gemachtigde afgeleid dat belanghebbende ook voor het toeslagjaar 2006 KOT heeft ontvangen. Het jaar 2006 is niet door UHT in de herbeoordeling betrokken. Tegen deze achtergrond heeft belanghebbende in haar aanvullend bezwaarschrift gesteld dat het jaar 2006 alsnog dient te worden beoordeeld.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin B/T een beschikking daarover heeft gegeven. UHT heeft het toeslagjaar 2006 voorafgaand aan de hoorzitting herbeoordeeld en deze beoordeling in een aanvullende beschouwing toegelicht. Ter zitting heeft belanghebbende ten aanzien van deze beoordeling geen nadere bezwaren naar voren gebracht. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Het toeslagjaar 2007

De KOT die met betrekking tot het jaar 2007 aan belanghebbende werd toegekend, is diverse keren gewijzigd. Belanghebbende kan zich niet vinden in het oordeel van UHT dat hier sprake is van reguliere wijzigingen. Bij de wijzigingen van de KOT werden volgens belanghebbende fouten gemaakt. Uit deze fouten zelf volgt, aldus belanghebbende, niet dat er in haar geval sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid. Die vooringenomenheid en hardheid kunnen blijken uit de houding die B/T jegens haar heeft ingenomen, de weigering terug te bellen, het gebrek aan informatie en het gemak waarmee de gevolgen van ambtelijk onvermogen bij haar werd neergelegd.

UHT erkent dat bij het wijzigen van de KOT door B/T menselijke fouten zijn gemaakt, zoals het verkeerd inscannen van een document. Het herstel van de wijziging van de KOT heeft van belanghebbende de nodige inspanningen gevergd. Zij heeft meermaals telefonisch contact opgenomen, een klacht ingediend en bezwaar gemaakt. Haar handelen heeft eraan bijgedragen dat de KOT, die haar over het jaar 2007 toekwam, is bijgesteld.

De Commissie stelt het volgende vast. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.

Belanghebbende heeft in 2007 diverse wijzigingen doorgegeven aan B/T die niet steeds goed zijn verwerkt. Daardoor moest de KOT meermaals worden herzien, hetgeen voor belanghebbende een onoverzichtelijke situatie heeft opgeleverd, de nodige inspanningen heeft gevraagd en veel stress met zich mee heeft gebracht. In het geval van belanghebbende heeft zich echter geen van de vijf hiervoor genoemde aspecten van vooringenomenheid voorgedaan. Tegen die achtergrond is dan ook in het geval van belanghebbende geen sprake geweest van fouten die het gevolg waren van vooringenomenheid, zoals die onder de Wht grond voor compensatie oplevert.

Noodzakelijke bijstellingen van de KOT, zoals die in het geval van belanghebbende hebben plaatsgevonden, geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter