Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15823

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 april 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 17 november 2025

Overdracht advies aan UHT: 13 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 125.150 voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2007.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2012. In overleg met belanghebbende is een herbeoordeling uitgevoerd van de KOT over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
  • UHT heeft bij besluit van 26 mei 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 25 april 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 125.150 voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2007.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 juni 2024, ingekomen op 6 juni 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 30 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 17 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 11 december 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 30 december 2025 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vragen of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming voor het toeslagjaar 2007 af te wijzen.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2007 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Over het toeslagjaar 2007 heeft geen verlaging van de KOT plaatsgevonden. De KOT is binnen acht weken na het indienen van de aanvraag voor de kinderopvang voor het oudste kind toegekend. De KOT is in overeenstemming met de aanvraag per 16 september 2007 toegekend. Vervolgens is per 16 november 2007 KOT toegekend voor het tweede kind. De Commissie acht het gezien de geboortedatum van het tweede kind, 17 augustus 2007, en het minimale wettelijke bevallingsverlof van tien weken niet aannemelijk dat belanghebbende eerder dan 16 november 2007 kinderopvang heeft afgenomen of KOT heeft aangevraagd. De definitieve vaststelling van de KOT komt ook overeen met de gegevens in de KOI-viewer. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat belanghebbende recht had op meer KOT dan aan haar is toegekend.

Belanghebbende stelt dat een causaal verband bestaat tussen de handelingen van de B/T in het toeslagjaar 2007 en de vooringenomen handelingen in de daaropvolgende jaren en dat zij daarom ook voor het toeslagjaar 2007 dient te worden gecompenseerd. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Bovendien constateert de Commissie dat de B/T bij besluit van 31 december 2007 op de aanvraag om KOT voor het jongste kind van belanghebbende (met ingangsdatum 16 november 2007) heeft beslist. Dat is nadat de KOT voor 2008 voor het oudste kind bij besluit van 26 november 2007 automatisch is voortgezet; dit betreft een geautomatiseerde administratieve handeling. Pas bij besluit van 24 september 2008 is ook KOT voor het jongste kind toegekend (met ingang van 1 januari 2008). De Commissie erkent dat hierdoor voor belanghebbende nadelige financiële gevolgen zijn ontstaan. Deze gang van zaken kan echter niet tot de conclusie leiden dat de handelingen van B/T met betrekking tot 2007 een causaal verband hebben met de vooringenomen handelingen van B/T in de toeslagjaren 2008 tot en met 2011. Van vooringenomen handelen over toeslagjaar 2007 is geen sprake, van een causaal verband tussen beslissingen genomen in dat jaar met latere toeslagjaren jaren evenmin.

Compensatieberekening

Belanghebbende voert aan dat het onduidelijk is of de toegekende compensatie op juiste wijze is berekend. De Commissie overweegt hierover als volgt. De einddatum van de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade is berekend, is onjuist vastgesteld. Het gebruik van de juiste einddatum leidt echter niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade. Het aantal halve jaren waarover de vergoeding wordt berekend verandert immers niet. De Commissie constateert daarnaast dat de rentevergoeding over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 onjuist is berekend. Bij de berekening van deze vergoeding is van een onjuiste einddatum uitgegaan. De Commissie adviseert UHT ook deze component niet aan te passen, omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn. In het aangevoerde bezwaar op dit punt ziet de Commissie dan ook geen aanleiding om UHT te adviseren het bestreden besluit te herroepen.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en:

  • het bestreden besluit in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter