BAC 2025-15819
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 november 2022 met kenmerk: UHT DC I;
28 november 2022 met kenmerk: UHT-DHR; 28 november 2022 met kenmerk: UHT-DC-I A; 28 november 2022 met kenmerk: UHT-DH5 A.
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 11 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door (naam) (hierna: gemachtigde) namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen vier beschikkingen van UHT, te weten:
- de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 28 november 2022 met kenmerk UHT-DC I;
- de beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 28 november 2022 met kenmerk UHT-DHR;
- de definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van
28 november 2022 met kenmerk UHT-DC-I A; - de beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 28 november 2022 met kenmerk UHT-DH5 A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend tot een bedrag van € 31.834.
De compensatieregeling is van toepassing op toeslagjaar 2011, de maanden januari en februari 2012 en toeslagjaar 2013. Voor toeslagjaar 2010 en de maanden maart tot en met december 2012 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2013.
In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is daarbij ook toeslagjaar 2010 betrokken. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 juli 2022 aan UHT toegezonden. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling niet van toepassing is op de toeslagjaren 2010 en 2013 en op de maanden maart tot en met december 2012. De hardheidscompensatie is wel van toepassing op toeslagjaar 2013.
Daarnaast dient belanghebbende te worden gecompenseerd voor een opgelegde boete van € 1.500 over de jaren 2010 tot en met 2013. - UHT heeft bij twee brieven van 19 september 2022 aan belanghebbende een vooraankondiging gedaan, waarin het voorlopige compensatiebedrag is vastgesteld op € 25.908 voor de toeslagjaren 2011 en 2013. Op grond van de Catshuisregeling wordt dit bedrag aangevuld tot € 30.000.
- UHT heeft bij brief van 28 september 2022 een aanvullende vooraankondiging gestuurd, waarin het voorlopige compensatiebedrag is vastgesteld op € 31.729. Deze brief ziet eveneens op de toeslagjaren 2011 en 2012.
- UHT heeft op 28 november 2022 met kenmerk UHT-DC I de eerste bestreden beschikking genomen en daarin aan belanghebbende medegedeeld dat zij wordt gecompenseerd over toeslagjaar 2011 en over de maanden januari en februari van toeslagjaar 2012 wegens vooringenomenheid. Het compensatiebedrag bedraagt € 31.834. In dit bedrag is tevens de compensatie voor toeslagjaar 2013 opgenomen, zoals beschreven in de beschikking met kenmerk UHT-DHR.
- UHT heeft op 28 november 2022 met kenmerk UHT-DHR de tweede bestreden beschikking genomen en daarin aan belanghebbende medegedeeld dat zij voor toeslagjaar 2013 wordt gecompenseerd wegens hardheid.
- UHT heeft op 28 november 2022 met kenmerk UHT-DC-I A de derde bestreden beschikking genomen. Daarin is opgenomen dat belanghebbende over toeslagjaar 2010 en over de maanden maart tot en met december 2012 niet in aanmerking komt voor compensatie wegens vooringenomenheid.
- UHT heeft op 28 november 2022 met kenmerk UHT-DH5 A de vierde bestreden beschikking genomen. Daarin is opgenomen dat belanghebbende over toeslagjaar 2010 en over de maanden maart tot en met december 2012 niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming wegens hardheid.
- De gemachtigde heeft bij brief van 14 mei 2024 tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 12 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- De gemachtigde heeft bij brief van 23 december 2025 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
- Op 17 februari 2026 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) bezwaargronden van belanghebbende:
- geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier;
- het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
- registratie van de kinderopvanginstelling;
- beslissen op bezwaar;
- gebruik van informatie uit de KOI-viewer;
- opname op de FSV-lijst;
- opzet/grove schuld (hierna: O/GS)-kwalificatie;
- discriminatie;
- beoordeling per jaar;
- hoogte van de KOT;
- forfaitaire bedragen materiële en immateriële schade; • vergoeding van aanvullende schade;
- niet herbeoordeelde jaren.
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet beschikt over alle benodigde informatie om de bestreden beschikkingen te kunnen controleren. Zij heeft namelijk niet de beschikking over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. Volgens belanghebbende kan zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn.
De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag liggende stukken zijn op 9 oktober 2025 aan belanghebbende toegezonden.
Met de aanvullende beschouwing van 17 februari 2026 zijn aan het bezwaardossier de producties 2700016 tot en met 2700018 en 1027001 tot en met 1219001 toegevoegd.
De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dit kan anders zijn indien belanghebbende concrete aanknopingspunten aandraagt waaruit volgt dat het persoonlijk dossier of aanvullende stukken moeten worden afgewacht. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De enkele mogelijkheid dat – wegens onbekendheid met de inhoud van dat dossier – nog relevante informatie ontbreekt, is daarvoor onvoldoende.
Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Awir destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan haar toekomende KOT, maar dat B/T dit heeft nagelaten.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Registratie van de kinderopvanginstelling
Belanghebbende zou niet kunnen worden verweten dat zij gebruik heeft gemaakt van een niet-geregistreerde kinderopvanginstelling (LRK-registratie); een dergelijk verwijt kan wel aan B/T worden gemaakt.
Voor de KOT is op grond van artikel 1.5, tweede lid, van de Wet kinderopvang vereist dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvanginstelling die geregistreerd is in het LRKregister. In het algemeen mag van een aanvrager worden verwacht dat zij bij aanvang van de opvang nagaat of de kinderopvanginstelling beschikt over een geldige LRKregistratie.
De Commissie stelt vast dat in de situatie van belanghebbende het ontbreken van een geldige LRK-registratie geen rol heeft gespeeld zodat deze bezwaargrond geen doel treft.
Beslissen op bezwaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het uitblijven van een beslissing op bezwaren die zij in de herbeoordeelde jaren heeft ingediend, zou wijzen op vooringenomen handelen.
De Commissie stelt echter vast dat een dergelijke situatie in het onderhavige geval niet heeft plaatsgevonden. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Gebruik van informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T bij het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOIviewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn hun gegevens daarin in te vullen.
De Commissie gaat uit van de regel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie uit de KOI-viewer, tenzij er concrete aanwijzingen zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat B/T aan de informatie uit de KOI-viewer had moeten twijfelen.
Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Opname op de FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het informatie- en beoordelingsformulier blijkt dat belanghebbende op een FSV-lijst is opgenomen. In de aanvullende beschouwing van 17 februari 2026 is dit nogmaals bevestigd.
De Commissie adviseert UHT, die zelf niet over de benodigde bevoegdheden beschikt om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken, om belanghebbende op een passende wijze te informeren over hoe en waar zij deze informatie wél kan verkrijgen.
O/GS-kwalificatie
In de onderliggende stukken heeft UHT op pagina 469 een document opgenomen waaruit blijkt dat belanghebbende over de herbeoordeelde jaren geen O/GS-kwalificatie had. In de aanvullende beschouwing van 17 februari 2026 heeft UHT hierover een nadere toelichting gegeven.
De Commissie is van oordeel dat UHT voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende geen O/GS-kwalificatie had en daarom niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. Belanghebbende heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden voor deze jaren wél zou zijn voldaan, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.
Discriminatie
De Commissie overweegt dat voor het toekennen van compensatie wegens discriminatie, vooringenomenheid of onbillijke hardheid concreet moet worden aangetoond dat het bestuursorgaan onzorgvuldig heeft gehandeld of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgetreden. Daarnaast dient aannemelijk te worden gemaakt dat dit handelen daadwerkelijk tot schade heeft geleid. Het enkele bestaan van een risicoprofiel, een intern signaal of een intensievere controle vormt op zichzelf onvoldoende grond voor compensatie. Vereist is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het handelen van het bestuursorgaan en een nadelige beslissing of situatie voor belanghebbende.
In het onderhavige geval heeft belanghebbende weliswaar gesteld dat zij is gediscrimineerd, maar deze stelling is nergens onderbouwd met concrete feiten, omstandigheden of stukken. De Commissie merkt op dat van een belanghebbende die zich op deze gronden beroept mag worden verwacht dat het standpunt deugdelijk wordt gemotiveerd.
Gelet op het voorgaande acht de Commissie deze bezwaargrond ongegrond.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, terwijl dit voor andere jaren niet het geval is. Volgens belanghebbende doet een selectie van jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
Hieruit leidt de Commissie af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van ‘gedupeerd zijn’ van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Daarom zal per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren, zodra dit in een jaar is vastgesteld, acht de Commissie in het algemeen onjuist.
Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt dat de Wht bedoeld is voor het herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie, en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling van dergelijke herzieningen valt daarom buiten de reikwijdte van de Wht. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Forfaitaire bedragen materiële en immateriële schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van vaste (“forfaitaire”) vergoedingen. De Commissie heeft in de stellingen van belanghebbende geen aanleiding gevonden om te oordelen dat in dit geval het in de Wht neergelegde compensatiestelsel buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de werkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) en dat in alle fases van toekenning is voorzien in rechtsbescherming.
Vergoeding van aanvullende schade
Deze bezwaarschriftprocedure heeft uitsluitend betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade, zoals hierboven reeds opgemerkt. Voor een vergoeding van de werkelijke schade is de procedure bij het CWS bedoeld.
Niet herbeoordeelde jaren
Gemachtigde heeft in deze bezwaarprocedure aangevoerd dat de toeslagjaren 2014 tot en met 2017 niet heeft beoordeeld en verzoekt UHT om dat alsnog te doen.
In de aanvullende beschouwing van 17 februari 2026 heeft UHT ook de toeslag-jaren 2005 tot en met 2009, 2018 en 2019 ambtshalve beoordeeld. Uit deze beoordeling blijkt volgen UHT dat belanghebbende over deze jaren geen recht op compensatie heeft.
Gemachtigde heeft verder niet meer op de aanvullende beschouwing gereageerd en de Commissie heeft met betrekking tot deze toeslagjaren ook geen onregel-matigheden aangetroffen. De Commissie zal hier dan ook niet inhoudelijk ingaan op de jaren 2005 tot en met 2009, 2018 en 2019.
Voor verschillende berekeningsjaren heeft UHT afzonderlijke beschikkingen afgegeven. De Commissie stelt vast dat belanghebbende formeel alleen bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking van 28 november 2022 met kenmerk UHT-DC I, die betrekking heeft op de toeslagjaren 2011 en 2012. De nadere gronden zien echter ook op de overige drie beschikkingen van 28 november 2022, zoals genoemd in het procesverloop. De Commissie zal daarom adviseren over de bezwaargronden die betrekking hebben op alle vier de bestreden beschikkingen van 28 november 2022.
De Commissie zal nu ingaan op de toeslagjaren 2010 tot en met 2013.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat de doorgevoerde wijzigingen van 28 april 2010 en
27 januari 2011 niet van haar afkomstig zijn. Zij verzoekt om de gespreksverslagen waarin de KOT over de jaren 2010 zou zijn stopgezet, alsmede om nadere toelichting waarom kinderopvanginstelling [naam] is benaderd om te controleren of het kind van belanghebbende daar bekend is. In het SAS-rapport zijn de uitvraagbrieven niet opgenomen, zodat niet mag worden aangenomen dat deze brieven zijn verzonden. Tot slot stelt belanghebbende dat de KOT aan een derde is betaald terwijl deze bij haar wordt teruggevorderd. Zij doet hierbij een beroep op de hardheidsregeling.
UHT heeft hierop gereageerd dat het GDL-nummer slechts duidt op een technische verwerking van gegevens en dat de wijzigingen zijn doorgegeven via het BSN-nummer van belanghebbende. Er is geen indicatie dat een ander de wijziging heeft doorgegeven. Er zijn geen gespreksverslagen beschikbaar en de stopzetting van de KOT is uitgevoerd onder vermelding van het BSN-nummer van belanghebbende. B/T mocht daarom aannemen dat de stopzetting door belanghebbende was gedaan. Belanghebbende heeft op 27 januari 2011 KOT aangevraagd bij kinderopvanginstelling (naam), onderdeel van (naam), waardoor een verzoek aan (naam) logisch was. De vraagbrieven van 2010 zijn wel in het archief aangetroffen, maar niet in het SAS-rapport opgenomen omdat het rapport zag op toeslagjaar 2012. Het is onduidelijk aan wie de KOT daadwerkelijk is overgemaakt. De KOT en KGB zijn betaald naar rekening (nr), waarbij het aannemelijk is dat de betaalde KOT ten goede is gekomen aan belanghebbende.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering van de KOT over 2010 was gebaseerd op een te hoog toegekend voorschot, dat door reguliere wijzigingen opnieuw is berekend in overeenstemming met de wet.
Op grond van de onderliggende stukken stelt de Commissie vast dat de KOT tweemaal neerwaarts is aangepast. De eerste keer vanwege de stopzetting van de KOT per 1 november 2010, waardoor de toeslag werd aangepast van € 11.030 naar € 8.466. De tweede neerwaartse bijstelling volgde op de aanvraag van
27 januari 2011 van belanghebbende, waarin werd aangegeven dat (naam) (hierna: eerste kind) vanaf 22 maart 2010 gebruikmaakte van kinderopvang (naam), onderdeel van (naam). Deze kinderopvang meldde aan B/T dat belanghebbende en haar eerste kind bij hen niet bekend waren.
Op de uitvraagbrief van 12 september 2011 maakte belanghebbende melding van gastouderbureau (naam). B/T heeft daarop twee informatieverzoeken gestuurd met het verzoek om de jaaropgave en facturen van deze opvanginstelling. Vanwege het uitblijven van deze informatie heeft B/T de KOT voor 2010 uiteindelijk op nihil vastgesteld.
De Commissie merkt op dat op belanghebbende de verplichting rust om desgevraagd jaaropgaven en facturen te overleggen waaruit het recht op KOT blijkt. Indien deze stukken, ondanks herhaalde verzoeken en geboden hersteltermijn, niet worden verstrekt, is B/T bevoegd de toeslag op nihil vast te stellen. Van vooringenomen handelen is dan ook geen sprake wanneer belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad om de gevraagde gegevens aan te leveren en duidelijk is gewezen op de gevolgen van het uitblijven daarvan. In het onderhavige geval is belanghebbende voldoende in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens aan te leveren en is zij voldoende gewezen op de gevolgen van het niet aanleveren van de benodigde gegevens. B/T heeft immers op 4 februari 2013 en op 24 april 2013 twee informatieverzoeken gestuurd naar het adres waarop belanghebbende stond ingeschreven. Belanghebbende heeft hier niet op gereageerd. De Commissie begrijpt dat de brieven niet zijn opgenomen in het overzicht van op p. 211 van het dossier, omdat dit overzicht ziet op toeslagjaar 2012. Volledigheidshalve adviseert de Commissie aan UHT om bij beslissing op bezwaar ook een dergelijk overzicht van toeslagjaar 2010 over te leggen.
De twee neerwaartse bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. Er was bovendien geen onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie overweegt dat de aanvragen van 28 april 2010 en 27 januari 2011 voor KOT, ingediend onder het BSN van belanghebbende, aan haar worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor de telefonische stopzetting van de KOT van 4 november 2010, waarin de KOT per 1 november 2010 is stopgezet. De enkele ontkenning dat zij deze wijziging en stopzetting heeft gedaan, zonder nadere en verifieerbare onderbouwing, is onvoldoende om die toerekening te weerleggen. UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 17 februari 2026 toegelicht dat het gespreksverslag van deze stopzetting niet meer is te achterhalen. De Commissie meent echter dat hoewel het gespreksverslag niet meer is te achterhalen het wel aannemelijk is geworden dat deze stopzetting door of namens belanghebbende is gedaan. Indien de melding niet van belanghebbende afkomstig zou zijn dan had het voor de hand gelegen dat belanghebbende tegen de verlaging van de KOT bezwaar zou maken. Alleen bij concrete en objectieve aanwijzingen voor misbruik of fraude bestaat aanleiding voor nader onderzoek door B/T. In het kader van bezwaar ligt het op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat de wijziging en stopzetting niet door haar of namens haar zijn ingediend. In hetgeen is aangevoerd ziet de Commissie daarvoor geen toereikende grond.
Gemachtigde stelt tot slot dat de KOT aan een derde is uitbetaald, terwijl deze bij belanghebbende wordt teruggevorderd, en dat daarom sprake is van hardheid op grond van de KOT-KOI-regeling.
De Commissie is van oordeel dat belanghebbende verantwoordelijk is voor het door haar opgegeven rekeningnummer waarop de toeslag wordt uitbetaald.
Dit rekeningnummer is vermeld in de beschikking van 16 november 2010, waartegen belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt. B/T mag daarom in beginsel uitgaan van de juistheid daarvan. UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 17 februari 2026 toegelicht dat naast de KOT ook het kindgebonden budget naar dit rekeningnummer is overgemaakt, zodat het aannemelijk is dat de overgemaakte KOT ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie kan zich hierin vinden. Slechts indien belanghebbende aannemelijk maakt dat het rekeningnummer buiten haar medeweten is gebruikt, bijvoorbeeld in geval van misbruik of fraude, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Voor toepassing van de hardheidsregeling is vereist dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, hetgeen een deugdelijke motivering en voldoende feitelijke onderbouwing vergt.
Bij gebreke van concrete aanwijzingen voor misbruik of andere schrijnende omstandigheden ziet de Commissie geen grond om van dit uitgangspunt af te wijken of te oordelen dat sprake is van vooringenomen handelen.
Bovendien stelt de Commissie op basis van de onderliggende stukken vast dat de werkelijke opvangkosten, overeenkomstig de eigen opgave, € 11.750 bedroegen en dat B/T € 6.182 aan kinderopvangkosten aan de kinderopvanginstelling heeft betaald. Daarmee is het volledige bedrag aan de kinderopvang ten goede gekomen aan belanghebbende en slaagt een beroep op de hardheidsregeling op grond van de KOTKOI-regeling niet.
Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende voert aan dat bij de compensatieberekening voor toeslagjaar 2011 uitgegaan moet worden van de totale opvangkosten. Volgens haar dient component a van de compensatieberekening daarom hoger te worden vastgesteld.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht terecht is uitgegaan van de beschikking waarin de hoogte van het voorschot is vastgesteld voorafgaand aan de nihilbeschikking van 10 mei 2013. Het betreft hierbij de beschikking van 21 februari 2013, waarin het voorschot is vastgesteld op € 4.888.
De Commissie ziet in de stelling van gemachtigde – dat voor component a zou moeten worden uitgegaan van de totale opvangkosten – geen aanknopingspunt in de hiervoor genoemde artikelen van de Wht.
Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Toeslagjaar 2012
Belanghebbende stelt dat UHT ten onrechte heeft aangenomen dat zij over de maanden maart tot en met december 2012 evident geen recht had op KOT.
De Commissie merkt op dat belanghebbende heeft verklaard dat haar eerste kind na haar terugkeer naar Nederland geen kinderopvang meer heeft genoten. Zij gaf verder aan dat haar tweede kind, (naam), geboren op 10 februari 2012, geen opvang heeft gehad. Uit de KOI-viewer blijkt dat over de periode van 1 januari 2012 tot en met 28 februari 2012 in totaal 452,84 uur is geregistreerd voor het eerste kind van belanghebbende. De Commissie stelt vast dat er geen andersluidende informatie beschikbaar is waaruit blijkt dat belanghebbende over de periode maart tot en met december 2012 wel gebruik heeft gemaakt van kinderopvang.
In de aanvullende beschouwing van UHT van 17 februari 2026 is een nadere toelichting gegeven met betrekking tot de vaststelling van component a voor toeslagjaar 2012. Hierin is toegelicht dat belanghebbende over de maanden januari en februari gecompenseerd wordt met € 2.380 vanwege vooringenomenheid. Daarnaast heeft belanghebbende, vanwege de verlaging van het bedrag met terugwerkende kracht van € 9.751 naar € 8.668, nog recht op een hardheidstegemoetkoming van € 1.083.
Component a komt daarmee uit op € 3.463. In de compensatieberekening wordt een bedrag van € 3.559 gehanteerd, zodat de Commissie geen aanleiding ziet om in het kader van deze bezwaarprocedure uit te gaan van het lagere bedrag.
Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende voert aan dat zij in toeslagjaar 2013 vooringenomen is behandeld en dat B/T ten onrechte geen informatie bij haar heeft opgevraagd.
De Commissie overweegt dat B/T inderdaad vooringenomen heeft gehandeld in die zin dat belanghebbende niet voldoende gelegenheid is geboden om het recht op KOT aan te tonen. Over dit jaar bestaat echter geen recht op compensatie wegens vooringenomenheid, omdat aannemelijk is dat belanghebbende, zoals reeds overwogen bij toeslagjaar 2012, geen kinderopvang heeft afgenomen.
De Commissie stelt verder vast dat UHT in de compensatieberekening wel uitgaat van hardheid, zodat belanghebbende hiervoor een tegemoetkoming heeft ontvangen. Deze tegemoetkoming is toegekend omdat B/T betalingen aan een derde heeft verricht die niet ten goede zijn gekomen aan belanghebbende en die van haar worden teruggevorderd. Het betreft vier betalingen van € 2.691, verricht door B/T op 16 januari 2013, 15 februari 2013, 15 maart 2013 en 17 april 2013, samen goed voor een totaalbedrag van € 10.703, overgemaakt op een rekening van een derde, zoals blijkt uit het betalingsoverzicht.
Uit het LIC-overzicht van toeslagjaar 2013 blijkt echter dat deze betalingen zijn verricht aan een ouder/relatie in de eerste graad. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende door uit te gaan van deze bedragen, die daadwerkelijk niet aan haar zijn ten goede gekomen, hierdoor niet is benadeeld. Verder blijkt uit het LIC-overzicht dat B/T vanwege de toeslagenaffaire een bedrag van € 13.883 administratief heeft verwijderd, waardoor het gemaximeerde bedrag van € 10.703 wordt gehanteerd voor component g, “niet terugbetaalde/verrekende kinderopvangtoeslag.” Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
De compensatieberekening
De Commissie stelt vast dat UHT in de compensatieberekening enkele onjuiste bedragen heeft gehanteerd. Alleen de bedragen die in het voordeel van belanghebbende wijzigen, worden aangepast. De Commissie kan zich hierbij verenigen. Het betreft de volgende aanpassingen:
- Toeslagjaar 2011: component g wordt aangepast naar € 0;
- Toeslagjaar 2011: component o wordt aangepast naar € 1.935;
- Toeslagjaar 2013: component o wordt aangepast naar € 3.600;
- De vergoeding voor immateriële schade wordt berekend vanaf de startdatum
1 juli 2010 tot de datum van de beslissing op bezwaar; - De aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) wordt opnieuw berekend.
Gelet op het voorgaande verklaart de Commissie de bezwaren tegen de eerste en tweede bestreden beschikkingen (UHT-DC I en UHT-DHR) gedeeltelijk gegrond.
De bezwaren tegen de overige twee beschikkingen (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) worden ongegrond verklaard.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie van mening is dat de twee bestreden beschikkingen met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR moeten worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding voor het indienen van een bezwaarschrift (één procespunt) met een wegingsfactor 2.
Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- de bezwaren tegen de twee beschikkingen van 28 november 2022 met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2011 en 2013 aan te passen, waarbij de componenten g en o worden gecorrigeerd, de immateriële vergoeding voor schade opnieuw wordt berekend met ingang van de datum van de beslissing op bezwaar, en de aanvullende vergoeding wordt aangepast en herberekend;
- De bezwaren tegen de twee beschikkingen van 28 november 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5A ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten toe te kennen voor deze bezwaarprocedure van één procespunt met wegingsfactor 2, tegen het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter