Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15815

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 maart 2024 met kenmerk UHT-DCHO

Hoorzitting: 24 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 9 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskosten-vergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van
14 maart 2024 met kenmerk UHT-DCHO.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.845 voor de toeslagjaren 2012 en 2015 en een tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 5.990 voor de toeslagjaren 2014 en 2015. Voor de jaren 2017 en 2019 wordt geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is het verzoek tot herbeoordeling aangepast naar de toeslagjaren 2012, 2014, 2015, 2017 en 2019.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling niet van toepassing is voor het jaar 2014, de maanden oktober tot en met december 2015, en de jaren 2017 en 2019. Voor toeslagjaar 2012 is de compensatieregeling wel van toepassing.
    Voor de jaren 2014 en 2015 dient aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming te worden verleend.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 22 januari 2024 aan belanghebbende een voorlopige vergoeding toegekend van € 17.752. Belanghebbende komt in aanmerking voor deze vergoeding vanwege hardheid voor 2012 en vanwege vooringenomenheid voor 2015. Over de jaren 2014 en 2015 heeft belanghebbende recht op een O/GS-tegemoetkoming.
  • UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 14 maart 2024, met kenmerk UHT-DCHO, aan belanghebbende een compensatie toegekend van
    € 17.845 voor de toeslagjaren 2012 en 2015. Voor de jaren 2014 en 2015 wordt een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 5.990.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 april 2024 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 26 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Op 24 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 26 februari 2026 heeft de gemachtigde per e-mail de aan het slot van de hoorzitting afgesproken terugkoppeling gegeven.
  • UHT heeft op 5 maart 2026 een aanvullende beschouwing ingebracht.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2012 en 2015 juist heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor 2017 en 2019 af te wijzen.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende geen bezwaren naar voren heeft gebracht ten aanzien van de vaststelling dat over de jaren 2014 en 2015 een O/GS-tegemoetkoming aan de orde is. De Commissie zal deze jaren te dien aanzien dan ook verder buiten beschouwing laten.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Volgens belanghebbende is de bestreden beschikking in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake meer van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden besluiten behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Onvolledig dossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn op 12 augustus 2025 aan belanghebbende toegezonden.

De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijke reden geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele stelling dat, bij onbekendheid van de stukken in dat dossier, mogelijk nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de door haar terugbetaalde bedragen aan KOT, dan wel de bedragen die zij ten onrechte niet heeft ontvangen (component c van de compensatieberekening). Daarnaast voert belanghebbende aan dat zij recht heeft op vergoeding van de kosten voor juridische hulp (component m). Tot slot betwist belanghebbende de hoogte van de immateriële schade (component n). UHT heeft de componenten van de compensatieberekening en de hoogte hiervan concreet toegelicht en de compensatieberekening volledig heroverwogen. UHT heeft geconcludeerd dat er een aantal fouten in de compensatieberekening zit. Zo staat er bij 2015 bij component g, de kinderopvangtoeslag die belanghebbende niet heeft terugbetaald of niet verrekend is, een bedrag van € 11.287, terwijl dit € 14.523 had moeten zijn. Daarnaast is de berekening ten aanzien van de rentevergoeding over gemiste KOT (component o) voor zowel toeslagjaar 2012 als 2015 niet juist. Over 2012 is een bedrag van € 297 vastgesteld, terwijl dit € 296 had moeten zijn en over 2015 is een bedrag van € 3.607 vastgesteld in plaats van € 3.591.

De Commissie overweegt als volgt. De fouten in de compensatieberekening zijn in het voordeel van belanghebbende geweest. De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat het compensatiebedrag op andere punten niet zou kloppen.

Belanghebbende heeft dit weliswaar gesteld, maar niet nader onderbouwd.
De Commissie neemt daarom met instemming kennis van het standpunt van UHT om de bedragen onder de betreffende componenten over de toeslagjaren 2012 en 2015 niet aan te passen. De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014
Belanghebbende voert aan dat zij is gecompenseerd met een O/GS-tegemoetkoming, terwijl zij van mening is dat zij gecompenseerd had moeten worden wegens vooringenomenheid. Tijdens de hoorzitting en op 26 februari 2026 heeft belanghebbende toegelicht dat voor het jaar 2014 ten onrechte geen vooringenomenheid is aangenomen. Hoewel haar inkomensgegevens niet lijken te passen bij een fulltime dienstverband, werkte zij wel degelijk fulltime bij Tentoo en Appco als werver van energiecontracten en donaties. Zij werd niet per uur betaald, maar per afgesloten contract, waardoor haar inkomsten laag konden uitvallen, vooral wanneer klanten hun contract annuleerden.

Vanwege het lage inkomen ontving belanghebbende uiteindelijk een uitkering van de gemeente Rotterdam en had zij een re-integratieverplichting. Omdat zij werkte of beschikbaar moest zijn voor re-integratie, maakte zij gebruik van kinderopvang. Volgens belanghebbende was de bijstelling van de KOT in 2014 daarom onterecht. Daarnaast had zij door haar werk en de zorg voor haar kind moeite haar administratie bij te houden, waarna zij via het Jongerenloket administratieve ondersteuning kreeg en later onder bewind is gesteld.

UHT heeft daarentegen benadrukt dat er voor dit jaar vanuit is gegaan dat belanghebbende geen opleiding volgde. In het ouderverhaal heeft belanghebbende uitsluitend verklaard dat zij voltijds werkte. In de beschouwing van 5 maart 2026 heeft UHT nader toegelicht dat belanghebbende in 2015 en 2016 meerdere malen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) is verzocht om informatie aan te leveren over haar werkzaamheden of opleidingen, maar dat hier volgens de systemen van B/T niet op is gereageerd. Vervolgens is de KOT bij beschikking van 9 september 2016 neerwaarts aangepast op basis van gegevens uit de UWV-viewer. Volgens B/T was er geen reden om aan deze gegevens te twijfelen en is er daarom geen sprake van vooringenomen handelen, waardoor geen recht bestaat op compensatie op die grond.

Ook komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie op basis van de hardheidsregeling. Een deel van de toeslag (€ 2.664) is rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling uitbetaald en daarmee gebruikt voor de opvangkosten. Daarnaast is geen sprake van een kleine formele tekortkoming, fraude door een derde of andere bijzondere omstandigheden, en wordt de terugvordering als evenredig beschouwd.

Daarom bestaat ook op deze grond geen recht op compensatie.

De Commissie leidt uit de onderliggende stukken af dat belanghebbende de brieven van 11 juni 2015, 13 augustus 2015, 6 juni 2016 en 11 juli 2016 van B/T heeft ontvangen. In deze brieven is onder meer verzocht om een kopie van een verklaring van de onderwijsinstelling, waaruit de naam van de studie(s) en de periodes waarin belanghebbende en/of haar toeslagpartner hebben gestudeerd, moet blijken.

Nu hierop geen reactie is ontvangen, heeft B/T het aantal uren kinderopvang gebaseerd op het aantal gewerkte uren dat door het UWV via de UWV-viewer is geregistreerd. Als gevolg daarvan is de KOT neerwaarts bijgesteld van € 15.921 naar € 831. Tegen de aanpassing bij voorschotbeschikking van 9 september 2016 en de definitieve beschikking van 6 oktober 2017 heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt. In het ouderverhaal heeft zij geen melding gemaakt van het volgen van een studie of opleiding. Pas tijdens de hoorzitting en op 26 februari 2026 heeft belanghebbende hierover meer duidelijkheid verschaft.

De Commissie overweegt dat het gebruik van objectieve gegevensbronnen, zoals de UWV-viewer, bij het ontbreken van door de aanvrager aangeleverde informatie op zichzelf geen vooringenomenheid oplevert. B/T mag zich baseren op de gegevens die beschikbaar zijn in de systemen, tenzij er concrete aanwijzingen bestaan dat deze gegevens onjuist zijn of dat het verhaal van de ouder aannemelijker is. Het niet aanleveren van gevraagde informatie door belanghebbende rechtvaardigt dat B/T zich baseert op de beschikbare objectieve gegevens. Pas wanneer de KOT wordt stopgezet of aangepast zonder individuele beoordeling of zonder de mogelijkheid tot hoor en wederhoor, kan sprake zijn van vooringenomen handelen.

De Commissie concludeert dat B/T in de onderhavige zaak op juiste wijze gebruik heeft gemaakt van de beschikbare gegevens en dat er geen aanwijzingen zijn dat sprake is van vooringenomenheid danwel hardheid. Bovendien overweegt de Commissie dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van de definitieve KOT-beschikking van 6 oktober 2017. Belanghebbende verzoekt in feite om een aanpassing van de hoogte van de KOT over dit toeslagjaar zoals deze indertijd met de eerdergenoemde beschikking is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.

Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.

Herbeoordeling toeslagjaren 2017 en 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2017 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2017 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is na een reguliere wijziging opnieuw berekend. Zo had belanghebbende bewijsstukken naar B/T opgestuurd en is naar aanleiding daarvan het aantal opvanguren aangepast. Dit had een neerwaartse correctie van de KOT tot gevolg. Ten aanzien van 2019 heeft er ook één neerwaartse correctie plaatsgevonden. Deze correctie was het gevolg van de informatie die belanghebbende aan B/T had doorgegeven. Hieruit bleek dat belanghebbende in februari 2019 haar diploma had behaald en daardoor niet langer doelgroeper was. Per september 2019 heeft belanghebbende vervolgens opnieuw KOT aangevraagd.

Alle bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS over deze toeslagjaren, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter