Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15811

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 5 maart 2024 (UHT-DCHOA)

Overdracht advies aan UHT: 12 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

De gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 maart 2024 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

  • dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 26 december 2022 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, vooralsnog geen recht heeft op een betaling van
    € 30.000.
  • Op 21 juli 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 geen herstelregeling van toepassing is.
  • Bij brief van 5 maart 2024 is het bestreden besluit genomen.
  • Bij brief van 28 maart 2024 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • Op 10 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 2 december 2025 was een hoorzitting ingepland. UHT was aanwezig maar wegens een ziekmelding van de gemachtigde heeft er die dag geen behandeling plaatsgevonden. Vervolgens is de hoorzitting opnieuw ingepland op 9 december 2025. Gemachtigde heeft echter op 8 december 2025 laten weten dat belanghebbende afziet van het recht om gehoord te worden en dat op basis van de stukken advies kan worden uitgebracht.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft dit advies behandeld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Schending motiveringsbeginsel
Belanghebbende heeft gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De Commissie is van oordeel dat UHT door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en overige producties alsnog het bestreden besluit voldoende heeft onderbouwd. Gelet op deze omstandigheden is de Commissie van oordeel dat de schending van het motiveringsbeginsel gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Ontbrekende stukken
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Daar komt bij dat deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen het bestreden besluit. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier maakt geen deel uit van dit besluit zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan adviseren.

Equality of arms
De Commissie oordeelt als volgt. UHT heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Deze stukken onderbouwen de beslissing die UHT met het bestreden besluit heeft genomen. Hieruit volgt dat zowel belanghebbende als UHT de beschikking hebben over de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd. Daarmee is voldaan aan het beginsel van equality of arms.

Automatische continuatie
Belanghebbende heeft gesteld dat zij door de automatische prolongatie van de KOT in 2017 en 2018 in de problemen is gekomen. Zij acht deze gang van zaken dan ook onzorgvuldig.

De Commissie begrijpt dat de automatische toekenning van de KOT vragen oproept bij belanghebbende, maar ziet in deze gang van zaken geen aanknopingspunt voor institutioneel vooringenomen handelen van de Belastingdienst/Toeslagen.

Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van wijzigingen in het toetsingsinkomen, door belanghebbende doorgegeven wijzigingen en kinderopvanggegevens. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.

Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft betoogd dat bij het verrekenen van de KOT over de jaren 2016, 2017 en 2018 ten onrechte geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet en heeft in dat kader een beroep gedaan op de hardheidsregeling.

De Commissie merkt op dat uit de toelichting van de Wht volgt dat het bij de hardheidsregeling gaat om de hardheid van het toeslagenstelsel zelf door de strenge toepassing van de regels en niet om eventuele hardheid van de invordering op zich. Het al dan niet in acht nemen van de (volledige) beslagvrije voet bij de invordering is dus geen criterium dat meegenomen wordt bij de beoordeling of er sprake is geweest van hardheid. De grond van bezwaar van belanghebbende dat bij de verrekening de beslagvrije voet in aanmerking had moeten worden genomen, mist daardoor relevantie en zal verder niet besproken worden.
De Commissie begrijpt dat het voor belanghebbende als onevenredig hard aanvoelt. Maar er is geen sprake van hardheid in het kader van de Wht.

Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bestreden besluit niet te herroepen;
  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter