Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15809

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 12 december 2022 (UHT-DCH)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 2 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 12 december 2022 met kenmerk UHT-DCH.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €76.042,- voor de jaren 2008 tot en met 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2008 tot en met 2011 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 28 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de maanden juni tot en met december 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar de hardheidscompensatie wel van toepassing is.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 4 oktober 2022 aan belanghebbende gemeld dat zij in aanmerking komt voor een compensatie voor een bedrag van €75.011,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 12 december 2022 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €76.042,- voor de jaren 2008 tot en met 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 26 februari 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 18 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • De Commissie heeft op 10 november 2025 gemachtigde verzocht om aan haar mede te delen of de hoorzitting doorgang zal vinden.
  • Op 19 november 2025 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid het bezwaar op een hoorzitting toe te lichten en de Commissie verzocht haar gelegenheid te bieden aanvullende gronden in te dienen. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende.
  • De Commissie heeft vastgesteld dat gemachtigde nadere gronden, met dagtekening 27 december 2025 heeft ingediend.
  • UHT heeft met dagtekening 10 februari 2026 een aanvullende beschouwing ingediend.
  • De Commissie heeft op 13 maart 2026 aan partijen medegedeeld dat zij zal overgaan tot advisering.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail op 13 maart 2026 op de aanvullende beschouwing van UHT gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2011 op de juiste wijze heeft vastgesteld.

Op de zaak betrekking hebbende stukken en persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt d3at zonder het persoonlijk dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Het dossier en de naar aanleiding van het bezwaar opgestelde beschouwing van UHT en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie is van opvatting dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Gemachtigde stelt dat de onderliggende stukken van de O/GS-beoordeling ten onrechte niet door UHT worden gedeeld, en dat belanghebbende recht heeft op de brongegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de besluitvorming en de daarbij onderzochte gegevens.

De Commissie stelt vast dat UHT informatie heeft overgelegd door middel van de aanvullende beschouwing van 10 februari 2026.

Daarin heeft UHT vermeld dat voor alle jaren sprake is geweest van onterechte kwalificatie O/GS en is het resultaat van onderzoek bijgevoegd. Voor zover belanghebbende nadere informatie/uitleg nodig acht dient UHT daarop adequaat in te gaan en zo mogelijk verdere inzage te geven. De Commissie verwijst kortheidshalve naar haar advies in BAC 2023-11362 van 23 maart 2026.

Voorts heeft belanghebbende verzocht om de berekende KOT over toeslagjaren 2008 tot en met 2011 te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en heeft geen betrekking op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. Belanghebbende heeft in de aanvullende gronden ook verzocht om het XML bestand die ten grondslag ligt aan de wijziging van 10 juni 2008 over te leggen. De Commissie constateert dat dit XML-bestand reeds in het dossier is opgenomen (pagina 135), maar verzoekt UHT om bij de beslissing op bezwaar hierop een duidelijke toelichting te geven.

Compensatievaststelling

Belanghebbende stelt dat zij het niet eens is met de berekende compensatie. Specifiek is belanghebbende het niet eens met de wijze waarop de vergoeding voor immateriële schade is berekend.

UHT heeft in de Beschouwing de beoordeling van toeslagjaar 2011 nader toegelicht en een Bijlage compensatieberekening overgelegd waarin per component is uitgelegd of het bedrag juist berekend is.

UHT erkent dat de vergoeding voor immateriële schade onjuist is vastgesteld. De gehanteerde startdatum is 28 april 2010. Dit had moeten zijn, 28 februari 2010 (dagtekening van de stopbrief, pagina 137). De gehanteerde einddatum is 5 december 2022. Dit had de dagtekening van het primaire besluit moeten zijn, namelijk 12 december 2022 (pagina’s 57 tot en met 67). Zowel de startdatum als einddatum zullen worden aangepast in de beslissing op bezwaar. De aangepaste data levert een bedrag op van €13.000,- (afgerond halve jaren x €500,-). Dit bedrag was reeds juist vastgesteld en zal niet wijzigen. Omdat het bezwaarschrift deels gegrond is, zal de immateriële schadevergoeding doorlopen tot de datum van de beslissing op bezwaar. De Commissie stemt hiermee in.

Ten aanzien van de rente over gemiste KOT (component o) erkent UHT dat de berekening niet juist is. De bedragen zullen voor toeslagjaren 2008 tot en met 2011 naar boven worden afgerond. De aanvullende vergoeding van 1% zal eveneens worden aangepast.

De Commissie stemt hiermee in en zal UHT dienovereenkomstig adviseren.

Ten aanzien van het toeslagjaar 2010 stelt belanghebbende zich op het standpunt dat voor component g ten onrechte is uitgegaan van een bedrag van €17.597,-. Volgens haar dient het met de KOT 2008 verrekende bedrag van €3.700,- hierin niet te worden meegenomen.

UHT heeft in de berekening van de componenten voor compensatie bij 2010 volstaan met verwijzing naar het bedrag in het LIC overzicht. De Commissie verzoekt UHT om in de beslissing op bezwaar alsnog op dit punt in te gaan.

Evident geen recht in de maanden juni tot en met december 2011

Ten aanzien van de beoordeling van de maanden juni tot en met december 2011 overweegt de Commissie als volgt.

Volgens artikel 2.1, lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T.

Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de maanden juni tot en met december 2011, nu belanghebbende in die maanden geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde Kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden.

Volgens UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. UHT heeft vastgesteld dat in dit toeslagjaar een terugvordering of verlaging van meer dan €1.500,-heeft plaatsgevonden. Aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is teveel KOT uitbetaald, waardoor er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Het teveel aan KOT dat is uitgekeerd aan de KOI en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende bedraagt €12.473,-. Belanghebbende heeft op basis hiervan een compensatie op grond van hardheid ontvangen. Uit de jaaropgave (pagina 223) blijkt dat er geregistreerde opvang voor kind 2 is geweest van 1 januari tot en met 15 mei 2011. Dit sluit aan bij de verklaring van belanghebbende zoals vermeld in het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 17) . Belanghebbende heeft alsnog KOT ontvangen voor kind 2 over januari tot en met mei 2011 (pagina 259).

Met betrekking tot de vraag van belanghebbende waarom de KOT in 2011 is overgemaakt aan de ene KOI terwijl haar kind naar een andere opvang ging, heeft UHT in de aanvullende beschouwing van 10 februari 2026 toegelicht dat uit de stukken blijkt dat hetzelfde rekeningnummer werd gebruikt en dat de betrokken opvangorganisaties waarschijnlijk onder één overkoepelende organisatie vallen, waardoor de KOT aan de juiste partij is betaald. Wel is er te veel KOT uitgekeerd, omdat het kind van belanghebbende slechts tot 13 mei 2011 naar de opvang ging. Dit teveel betaalde bedrag is niet bij belanghebbende terechtgekomen, waardoor voor de periode juni tot en met december terecht compensatie wegens hardheid is toegekend.

Gelet op het voorgaande is belanghebbende naar het oordeel van de Commissie terecht gecompenseerd op grond van hardheid. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

O/GS-tegemoetkoming

De onterechte kwalificatie O/GS leidt volgens UHT niet tot een tegemoetkoming, gelet op de reeds aan belanghebbende toegekende compensatie over de betreffende jaren. Gelet op artikel 2.6 van de Wht acht de Commissie dit juist.

Discriminatie en FSV signalering

Belanghebbende heeft verzocht om nadere informatie of sprake is geweest van discriminatie en een FSV-signalering. UHT heeft in de aanvullende beschouwing geconcludeerd dat er fouten zijn gemaakt, maar er in het dossier geen aanwijzingen zijn van discriminatie. Belanghebbende komt echter wel voor op de FSV-lijst (ouderdossier pagina 281). Echter is uit de vermelde informatie over FSV niet duidelijk waarom belanghebbende hierop is geplaatst.

De Commissie meent dat een belanghebbende behoort te kunnen weten welke redenen ten grondslag hebben gelegen aan plaatsing van de FSV-lijst. De Commissie adviseert UHT daarom om hier de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verschaffen om belanghebbende op passende wijze te informeren over hoe en waar zij die informatie wel kan krijgen dan wel inzichtelijk uit te leggen dat nadere informatie niet (meer) voorhanden is.

Toeslagjaar 2007

In de aanvullende beschouwing heeft UHT alsnog uiteengezet dat voor toeslagjaar 2007 geen aanknopingspunten zijn voor vooringenomenheid. De Commissie stelt vast dat in het SAS overzicht het jaar 2007 als jaar is aangemerkt waarin KOT is verstrekt. Dat blijkt ook uit het overzicht van beschikkingen in het dossier (pagina 91) dat een verlaging laat zien van €5.130,- naar €5.115,-. Zonder verdere gegevens ziet ook de Commissie hierin geen aanknopingspunt voor vooringenomenheid. De Commissie adviseert UHT bij de beslissing op bezwaar over het jaar 2007 nadere informatie aan belanghebbende te verstrekken.

Werkelijk geleden schade

Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. Hoewel de Commissie dit betreurt, overweegt zij dat deze bezwaarschriftprocedure

alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 1 procespunt (bezwaarschrift zonder hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • De compensatieberekening conform de beschouwing en Bijlage compensatieberekening aan te passen;
  • De compensatieberekening sub g van 2010 nader toe te lichten;
  • Nader uitleg te geven over de FSV-vermelding;
  • De beoordeling van toeslagjaar 2007 nader te onderbouwen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter