BAC 2025-15805
Publicatiedatum 01-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 december 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 11 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 24 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 december 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2011 tot en met 2015 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom niet in aanmerking komt voor compensatie.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Op 1 september 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat er voor de jaren 2011 tot en met 2015 geen herstelregeling van toepassing is.
- Bij brief van 5 december 2023 is vorenstaand besluit meegedeeld aan belanghebbende.
- Bij brief van 28 november 2023 heeft gemachtigde bezwaar gemaakt.
- Op 9 juli 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Bij brief van 27 oktober 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 10 november 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend.
- Op 11 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2015 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van wijzigingen in het aantal afgenomen uren en het uurtarief. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT voor 2011 tot en met 2015 het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen.
Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op de hardheidsregeling. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij is geconfronteerd met terugvorderingen hoger dan € 1.500, terwijl de KOT aan de kinderopvanginstelling werd overgemaakt met betrekking tot de toeslagjaren 2013 en 2014.
De Commissie overweegt dat blijkens het handboek van UHT sprake kan zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid, indien de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder is teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn. Deze bijzondere omstandigheid doet zich in dit geval niet voor. Hoewel er inderdaad sprake is van een terugvordering bij belanghebbende terwijl de KOT is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling, is de gehele KOT die is ontvangen ten goede gekomen aan belanghebbende. Uit het dossier volgt immers dat de opvangkosten hoger waren dan de uitgekeerde KOT. Dit betekent dat de kinderopvanginstelling niet ten onrechte de teveel betaalde KOT voor zichzelf heeft gehouden en dat er geen ruimte is voor compensatie op grond van hardheid.
2013
Belanghebbende had recht op een bedrag aan KOT van € 9.104. Er is een voorschotbedrag uitbetaald aan de kinderopvanginstelling van € 12.206, terwijl de daadwerkelijke opvangkosten € 12.880,20 bedroegen. Dit betekent dat de aan de kinderopvanginstelling betaalde KOT geheel aan belanghebbende ten goede is gekomen en dat de terugvordering van € 3.215,- van belanghebbende daarom terecht is.
2014
Belanghebbende maakte aanspraak op € 7.635 aan KOT, terwijl er als voorschot €10.482,36 is uitgekeerd waarvan € 8.321 aan belanghebbende. Belanghebbende moest een bedrag van € 2.800 terug betalen. De daadwerkelijke opvangkosten bedroegen € 10.482,36. Ook voor dit toeslagjaar betekent dit dat de KOT geheel aan belanghebbende ten goede is gekomen en dat de terugvordering daarom terecht is.
De Commissie is daarom van oordeel dat de reguliere correcties voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2015 niet wijzen op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat het bezwaar ongegrond is, komt zij niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit niet te herroepen;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter