BAC 2025-15800
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 augustus 2024 (UHT-DCHOA)
Overdracht advies aan UHT: 19 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 20 augustus 2024 met het kenmerk UHT-DCHOA (hierna: de bestreden beschikking). In de bestreden beschikking is aan belanghebbende geen bedrag toegekend op grond van een herstelregeling.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 december 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de jaren 2005 tot en met 2008.
- UHT heeft bij beschikking van 20 februari 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2008 op grond van een herstelregeling.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 september 2024, ingekomen op
25 september 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft op 15 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 23 maart 2026 per e-mail aangegeven dat belanghebbende afziet van een hoorzitting. Belanghebbende verzoekt om op grond van de stukken over te gaan tot advisering.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, kan dit gebrek naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.
Toeslagjaar 2005
Voor de toeslagjaren 2006, 2007 en 2008 heeft belanghebbende in het bezwaarschrift aangegeven dat zij zich kan vinden in de gegeven toelichting.
Om deze reden beperkt de Commissie zich tot een bespreking van toeslagjaar 2005. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2005. Belanghebbende betwist dat zij wijzigingen heeft doorgegeven op grond waarvan de KOT neerwaarts is gewijzigd.
De Commissie stelt vast dat de voorschotbeschikking van 31 mei 2005 van € 5.290 neerwaarts is bijgesteld op 29 juli 2005 naar € 3.197. Vervolgens is de KOT op
22 juni 2006 verhoogd naar € 3.275. UHT heeft aangegeven dat er weinig informatie bekend is in de systemen over dit toeslagjaar.
De Commissie overweegt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat bij de toekenning of aanpassing van de KOT over toeslagjaar 2005 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De neerwaartse correctie van 29 juli 2005 is kort na de eerste toekenning aangebracht en uit het gespreksverslag noch uit de stukken komt enig aanknopingspunt naar voren over vooringenomen-heid of hardheid bij die lagere vaststelling van de KOT.
De Commissie ziet in het bezwaar dan ook geen reden om aan te nemen dat de aanpassingen van de KOT over dit toeslagjaar onjuist zijn geweest. Hierbij neemt de Commissie ook in overweging dat belanghebbende destijds geen bezwaar heeft ingesteld tegen de neerwaartse correctie. Verder heeft de verlaging van de KOT niet geleid tot een betalingsverplichting over dat jaar (er is enkel verrekend binnen het jaar 2005) zodat er geen sprake kan zijn van een geweigerde betalingsregeling, laat staan van een reden voor een tegemoetkoming. Belanghebbende komt dus niet in aanmerking voor compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Commissie is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek van belanghebbende af te wijzen.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter