Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15781

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 april 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 27 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 13 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 3 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 25 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2012. In overleg is dit verzoek uitgebreid met het jaar 2009.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende compensatie geweigerd voor de jaren 2009 tot en met 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 april 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 27 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Omvang van het geschil

Naar aanleiding van het verhandelde tijdens de hoorzitting stelt de Commissie vast dat nog uitsluitend de toeslagjaren 2011 en 2012 in geschil zijn.

Bespreking van de bezwaren

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2011 en 2012 af te wijzen.

UHT heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld, voor zover hier van belang, dat voor het toeslagjaar 2011 geen sprake is van vooringenomen handelen door B/T omdat, hoewel vaststaat dat belanghebbende opvang heeft afgenomen, zij niet voldeed aan het “doelgroepvereiste” zoals volgt uit artikel 1.6 van de Wet Kinderopvang (hierna: WKO), zoals dit luidde ten tijde van belang, op grond waarvan een noodzaak zou bestaan tot het afnemen van kinderopvang. Daarmee was niet voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de KOT, aldus UHT. Met betrekking tot het toeslagjaar 2012 heeft UHT zich op het standpunt gesteld dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat belanghebbende voorafgaande aan de neerwaartse bijstelling van de KOT, voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen. Evenwel is volgens UHT voor dit toeslagjaar sprake van evident geen recht op KOT, reeds omdat belanghebbende in dit jaar geen kinderopvang heeft afgenomen.

Belanghebbende betoogt dat UHT ten onrechte compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012 heeft afgewezen. Zij betoogt dat B/T ook voor het toeslagjaar 2011 vooringenomen heeft gehandeld door de KOT op nihil te stellen zonder haar in de gelegenheid te stellen om haar recht op KOT aan te tonen. Verder betoogt zij dat UHT ten onrechte heeft aangenomen dat zij in de jaren 2011 en 2012 niet voldeed aan het hiervoor genoemde “doelgroepvereiste”.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een vooringenomen handelwijze door B/T of van hardheid van het stelsel, of indien sprake is geweest van een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS-kwalificatie). Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. De situatie dat er evident geen recht op KOT bestaat, valt onder artikel 2.1, lid 2 van de Wht. De Commissie overweegt, in lijn met eerdere adviezen (bijvoorbeeld BAC 2023-12526 en BAC 2023-14995), dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

Toeslagjaar 2011

De Commissie is van opvatting dat het betoog van belanghebbende, voor zover dit ziet op de conclusie van UHT dat in 2011 geen sprake was van vooringenomen handelen, slaagt, maar niet leidt tot de conclusie dat recht bestaat op compensatie. Daartoe overweegt de Commissie als volgt. Anders dan UHT is de Commissie van oordeel dat in het jaar 2011 eveneens sprake is van vooringenomen handelen door B/T. Uit de stukken kan immers niet worden opgemaakt dat B/T belanghebbende voorafgaande aan de nihilstelling van de KOT voor 2011, bij beschikking van 12 juli 2012, in de gelegenheid heeft gesteld om haar recht op KOT aan te tonen. Er zijn geen uitvraagbrieven aanwezig in het dossier en blijkens interne notities (RKT-behandelstappen van 26 juni 2012) heeft de nihilstelling plaatsgevonden op basis van de in het kader van het strafrechtelijk onderzoek Triple X door belanghebbende afgelegde verklaringen.

De Commissie is evenwel van oordeel dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht bestond op KOT, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid, van de Wht aan belanghebbende geen compensatie kan worden toegekend. Zoals UHT ter zitting naar voren heeft gebracht, had belanghebbende geen inkomen uit werk en ontving zij een bijstandsuitkering. Uit de door belanghebbende in het kader van het strafrechtelijk onderzoek Triple X in juni 2012 afgelegde verklaringen zoals opgetekend in het, tot de stukken behorende, overzichtsprocesverbaal van 3 september 2012 (productie 2700002, op pagina 2 en 5) blijkt dat zij in 2011 een opleidingstraject zou gaan volgen maar dat zij nog moest uitzoeken welke. Uit niets blijkt evenwel dat zij daadwerkelijk een opleiding heeft gevolgd. De Commissie acht in dit verband mede van belang dat belanghebbende, bij monde van haar gemachtigde, ook tijdens de hoorzitting geen enkel detail heeft kunnen verstrekken betreffende de soort opleiding, het instituut, de plek of de duur van de, beweerdelijke, opleiding. Evenmin is gebleken dat belanghebbende een re-integratietraject volgde dat kinderopvang noodzakelijk maakte, als bedoeld in artikel 1.6 van de WKO. Daarmee was niet voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de KOT. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

Tussen partijen is niet in geschil dat voor dit toeslagjaar sprake was van vooringenomen handelen door B/T omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat B/T belanghebbende voorafgaande aan de neerwaartse bijstelling van de KOT voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om haar recht op KOT aan te tonen. UHT heeft zich naar de opvatting van de Commissie terecht op het standpunt gesteld dat ook voor dit toeslagjaar evident geen recht bestond op KOT, reeds omdat belanghebbende – zoals zij niet heeft bestreden - in dit jaar geen kinderopvang heeft afgenomen. Aan de vraag of zij in 2012 voldeed aan het “doelgroepvereiste” wordt daarom in dit geval niet toegekomen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre eveneens ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie ongegrond zijn en de bestreden beschikking in stand kan blijven, bestaat er geen recht op vergoeding voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter