BAC 2025-15776
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 10 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 21 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 t/m 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 t/m 2008. Volgens UHT heeft belanghebbende echter alleen in de toeslagjaren 2007 t/m 2009 KOT ontvangen en zijn daarom deze jaren herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 26 mei 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 t/m 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 maart 2024, ingekomen op 19 maart 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 8 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 10 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT met haar in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide toelichting per toeslagjaar en overige producties, zoals het informatie- en beoordelingsformulier, de betaal- en verrekenoverzichten en de SAS-rapporten – niet gehandeld in strijd met het door belanghebbende genoemde motiveringsbeginsel. Ook blijkt hieruit dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.
De nadere onderbouwing en uiteenzetting van UHT omtrent de totstandkoming van het bestreden besluit zijn voldoende deugdelijk en duidelijk.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Catshuisregeling
Belanghebbende stelt dat UHT gehouden was om hem bij de integrale beoordeling als gedupeerde van de toeslagaffaire aan te merken. Hij beroept zich daarbij op het vertrouwen dat bij hem werd gewekt door de beschikking van 26 mei 2021 tot toekenning van een uitkering van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en de correspondentie die daarop is gevolgd.
In het kader van de hersteloperatie KOT heeft het kabinet eind 2020 aanvullende maatregelen genomen met als doel ouders gericht en sneller recht te kunnen doen. Eén van die maatregelen betreft het uitkeren van een forfaitair bedrag van €30.000. De maatregel is uitgewerkt in een besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 18 maart 2021, nr. 2021-30659, Stcrt. 2021, 14691. Paragraaf 2.2 (“Goedkeuring forfaitair bedrag”) van dat besluit houdt onder meer het volgende in: “(Ik keur goed) dat de Belastingdienst/Toeslagen een forfaitair bedrag van € 30.000 kan uitkeren aan ouders die (…) in aanmerking komen voor compensatie of tegemoetkoming op grond van (een van de) herstelregelingen. (…) En paragraaf 2.3 (“Procedure”): “Voor een tijdige uitbetaling van het forfaitaire bedrag van € 30.000 zal in bepaalde gevallen of groepen van gevallen worden volstaan met een lichte toets. Bij een latere integrale beoordeling op grond van de herstelregelingen kan een hernieuwde toets plaatsvinden, waarbij opnieuw op basis van de voorwaarden voor de herstelregeling wordt getoetst of recht bestaat op een (hogere) compensatie of tegemoetkoming. (….). Indien het definitieve bedrag aan compensatie of tegemoetkoming op grond van de herstelregelingen na integrale beoordeling op een hoger bedrag wordt vastgesteld dan het uitgekeerde forfaitaire bedrag (…) zal uitsluitend het meerdere aan de ouder worden uitbetaald. In het geval het definitieve bedrag aan compensatie of tegemoetkoming op grond van de herstelregelingen op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het (…) forfaitaire bedrag van € 30.000, zal er geen bedrag meer aan de ouder worden uitbetaald. Dit leidt overigens niet tot het (deels) terugvorderen van het forfaitaire bedrag, nu dit het minimumbedrag is waarop de ouder aanspraak heeft. (…).”.
De beschikking van 26 mei 2021 waarbij aan belanghebbende een uitkering op grond van deze Catshuisregeling werd toegekend, houdt onder meer in: “Wij zijn van mening dat u in aanmerking komt voor de betaling van € 30.000. Dit is het bedrag dat u in ieder geval van ons krijgt voor de situatie met uw kinderopvangtoeslag (…). Wij hebben uw situatie nog niet helemaal beoordeeld. Dat gaan wij nog doen. Hebt u dan recht op meer dan €30.000? Dan krijgt u een aanvulling op het bedrag dat u al van ons hebt ontvangen. (…)”.
De inhoud van deze beschikking wijkt inhoudelijk niet af van hetgeen over de aard van de uitkering van € 30.000 in het hiervoor aangehaalde besluit van de Staatssecretaris van 18 maart 2021 is vermeld. In de beschikking is − afgezien van de toezegging dat betrokkene die € 30.000 nooit hoeft terug te betalen − niet de toezegging te lezen dat belanghebbende bij de integrale beoordeling van zijn verzoek voor herstel met toepassing van de herstelregelingen zal worden aangemerkt als een gedupeerde die (in beginsel) in aanmerking komt voor toekenning van een compensatie. Integendeel, uit de hiervoor geciteerde passages volgt dat uitkering van het bedrag van € 30.000 niet meebrengt dat de ouder bij de integrale beoordeling als gedupeerd zal worden aangemerkt. Wel is toegezegd dat het uitgekeerde bedrag niet zal worden teruggevorderd. Dat betekent dat het beroep van belanghebbende op gewekt vertrouwen faalt.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet alle toeslagjaren in de herbeoordeling zijn meegenomen. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende betrekking had op de toeslagjaren 2006 t/m 2008. UHT heeft vervolgens de toeslagjaren 2007 t/m 2009 herbeoordeeld, omdat belanghebbende uitsluitend in die jaren KOT heeft ontvangen.
Uit het door UHT overgelegde SAS-rapport blijkt dat belanghebbende inderdaad alleen in de toeslagjaren 2007 t/m 2009 KOT heeft ontvangen. Zo bezien kan niet worden geconcludeerd dat UHT verwijtbaar heeft nagelaten toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken of dat het bestreden besluit om die reden zou moeten worden herroepen.
De Commissie ziet geen aanleiding om buiten de herbeoordeelde toeslagjaren andere jaren alsnog in haar advisering te betrekken.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2007 en 2008
In de toeslagjaren 2007 en 2008 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen gehandeld jegens belanghebbende, omdat de KOT over die jaren op nihil is gesteld wegens non-respons, terwijl in de systemen van de B/T geen uitvraagbrieven zijn aangetroffen. UHT stelt dat geen gebruik is gemaakt van geregistreerde kinderopvang en dat dus evident geen recht op KOT bestond.
De partner van belanghebbende heeft tijdens het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar verklaard dat hun kinderen naar kinderopvanginstelling (hierna: KOI) [naam] in Bergen op Zoom gingen in plaats van KOI [naam] in Bergen op Zoom. Zij heeft zich echter vergist, zoals zij tijdens de hoorzitting verklaarde. [naam] en KOI [naam] waren naast elkaar gelegen en dat heeft bij haar voor verwarring gezorgd.
De Commissie acht deze verklaring van (de partner van) belanghebbende geloofwaardig. Dit biedt grond voor de aanname dat belanghebbende in de toeslagjaren 2007 en 2008 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang, althans daarvan mocht uitgaan. In de periode voorafgaand aan de invoering van het LRK waren KOI’s verplicht zich in te schrijven bij de gemeente waar zij gevestigd waren. Voor ouders was het lastig om vast te stellen of de betreffende KOI voorafgaand aan de aanvraag ook werkelijk stond ingeschreven. Belanghebbende mocht er daarom van uitgaan dat de in de gemeente Bergen op Zoom gevestigde KOI [naam] een geregistreerde KOI was. Aangezien de B/T in de betreffende toeslagjaren vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende, rust op die dienst de last om aannemelijk te maken dat belanghebbende evident geen recht op KOT had. Gegeven de niet op voorhand ongegronde veronderstelling dat belanghebbende in die jaren geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen, althans daarvan mocht uitgaan, is de B/T in dat bewijs niet geslaagd.
Het voorgaande leidt ertoe dat belanghebbende over de toeslagjaren 2007 en 2008 recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen door de B/T.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2009
Ten aanzien van het toeslagjaar 2009 is niet aannemelijk geworden dat de B/T institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, dan wel dat het stelsel ten opzichte van belanghebbende onredelijk hard heeft uitgewerkt. De terugvordering van KOT over dat jaar vloeit voort uit een te hoog vastgesteld voorschot, dat op basis van een reguliere wijziging (stopzetting door belanghebbende) opnieuw is berekend. Deze bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen. Ook is er geen aanknopingspunt om te adviseren dat belanghebbende een onterechte O/GS-kwalificatie werd onthouden, zodat geen aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming daarvoor.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en bijwonen van de hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar deels gegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH te herroepen;
- belanghebbende voor de toeslagjaren 2007 en 2008 te compenseren wegens vooringenomen handelen van de B/T;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter