BAC 2025-15773
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 februari 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 9 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 21 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en belanghebbende ook voor de toeslagjaren 2016 en 2018 te compenseren wegens vooringenomenheid. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 22 februari 2024 (UHT-DCHO).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 18.816 voor de toeslagjaren 2016 en 2017. Voor toeslagjaar 2016 is belanghebbende gecompenseerd op basis van de hardheidsregeling en voor toeslagjaar 2017 wegens vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Het bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000. Compensatie voor toeslagjaar 2018 is afgewezen.
Procesverloop
- Op 4 februari 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.
- Op 8 mei 2021 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij op grond van de Catshuisregeling in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- Op 18 januari 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op toeslagjaar 2018.
- Op 22 februari 2024 heeft UHT het compensatiebedrag vastgesteld op € 18.816 voor de toeslagjaren 2016 en 2017. Compensatie voor toeslagjaar 2018 is afgewezen.
- Op 7 maart 2024 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
- Op 11 april 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 7 december 2025 heeft opvolgend gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 9 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 15 januari 2026 heeft gemachtigde de tijdens de hoorzitting door belanghebbende getoonde whatsappberichten toegestuurd. Op 9 februari 2026 heeft UHT aangegeven dat de betreffende berichten, voor zover UHT kan zien, afkomstig zijn van een incassobureau dat door de opvangingstelling is ingeschakeld.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en compensatie voor toeslagjaar 2018 terecht heeft afgewezen.
Compensatieberekening toeslagjaren 2016 en 2017
Tijdens de hoorzitting heeft UHT erkend dat belanghebbende voor toeslagjaar 2016 inderdaad gecompenseerd dient te worden vanwege vooringenomen handelen in plaats van de hardheidsregeling. Daarnaast stelt UHT dat voor het berekenen van de immateriële schadevergoeding (component n van de compensatieberekening) een onjuiste start- en einddatum is gehanteerd. UHT acht het bezwaar op deze punten gegrond en zal de motivering en compensatie-berekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT om aan deze toezegging gevolg te geven.
Afgewezen toeslagjaar 2018
UHT stelt dat voor toeslagjaar 2018 geen aanspraak bestaat op een herstel-regeling. B/T heeft de KOT voor dit jaar op nihil gesteld omdat belanghebbende niet heeft gereageerd op de op 6 juni 2019 en 22 augustus 2019 door B/T verstuurde uitvraagbrieven (producties 1218009 en 1218010).
Belanghebbende stelt dat ten onrechte wordt gesteld dat zij niet heeft gereageerd op de informatieverzoeken voor toeslagjaar 2018. Belanghebbende heeft juist altijd van alles opgestuurd. Dit geldt ook voor toeslagjaar 2018, net als voor de eerdere toeslagjaren. Omdat belanghebbende uit telefonisch contact met B/T had vernomen dat het niet mogelijk was om stukken per e-mail toe te sturen, heeft belanghebbende zowel vanuit Almere als Amsterdam de stukken per post toegestuurd in de hoop dat in ieder geval één van de poststukken zou worden ontvangen. Belanghebbende heeft daarnaast afschriften van betalingen aan de kinderopvangorganisatie voor opvang in toeslagjaar 2018 overgelegd.
Uit het bezwaardossier volgt dat voor toeslagjaar 2018 in eerste instantie een voorschot van € 12.042 aan KOT is toegekend. Op 22 januari 2018 is het voorschot verhoogd naar € 13.407. Op 22 mei 2018 is het voorschot verlaagd naar € 8.040 omdat het jongste kind van belanghebbende eind januari 2018 de schoolgaande leeftijd had bereikt. Op 21 augustus 2018 is het voorschot verder verlaagd naar
€ 5.465 omdat belanghebbende de opvang per 1 september 2018 heeft stopgezet. Vervolgens heeft B/T de KOT op 3 april 2020 op nihil gesteld. Dit is volgens de schriftelijke beschouwing van UHT gebeurd, omdat belanghebbende niet gereageerd zou hebben op de eerdergenoemde uitvraagbrieven.
De Commissie acht het, mede gelet op de overgelegde bankafschriften van betalingen aan de opvanginstelling in 2018, aannemelijk dat belanghebbende tot september 2018 opvang heeft afgenomen en voldeed aan de overige voorwaarden om aanspraak te maken op KOT. Voorts blijkt uit het ouderdossier dat belang-hebbende op eerdere uitvraagbrieven heeft gereageerd en ook geregistreerd telefonisch contact heeft opgenomen met B/T. Volgens hoofdstuk 2.2.1.2 van het Handboek Integrale Beoordeling is een kenmerk van vooringenomen handelen een stopzetting wegens non-respons, terwijl niet met zekerheid is vast te stellen dat ouder niet heeft gereageerd. De Commissie acht hetgeen belanghebbende in haar bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting heeft aangevoerd in dit geval voldoende aannemelijk en zij heeft geen concrete aanwijzingen om hieraan te twijfelen. De Commissie verwijst in dit verband ook naar het verslag van het gesprek op 8 november 2023 tussen belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar (productie 030001). Wanneer de ouder aangeeft wel gereageerd te hebben en het ook aannemelijk is dat de ouder heeft gereageerd, dan is het niet correct verwerken van de stukken verwijtbaar aan B/T en wordt dit daarom aangemerkt als vooringenomen handelen volgens hoofdstuk 2.3.5 Handboek Integrale Beoordeling.
Gelet op bovenstaande adviseert de Commissie het bezwaar gegrond te verklaren en belanghebbende ook voor toeslagjaar 2018 te compenseren op grond van vooringenomenheid. Omdat de uitvraagbrieven dateren van vóór 23 oktober 2019 is sprake van causaal verband met de op 3 april 2020 genomen beschikking tot nihilstelling van de KOT voor toeslagjaar 2018.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter