Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15771

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 februari 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 22 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, hierna het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 26.129,- voor het jaar 2008.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 en 2009.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat voor toeslagjaar 2008 de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 onderdeel a WHT van toepassing is en dat voor toeslagjaar 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 26.129,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 22 maart 2024, ingekomen op 22 maart 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 31 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij e-mail van 16 december 2025 heeft de Commissie gemachtigde bericht dat zij had vastgesteld dat namens de door de gemachtigde bijgestane belanghebbenden werd afgezien van het recht om te worden gehoord. Omdat de Commissie niet met zekerheid wist of dit ook voor belanghebbende gold, heeft zij de gemachtigde verzocht uiterlijk op 13 januari 2026 kenbaar te maken of belanghebbende gehoord wenste te worden. Daarbij is meegedeeld dat de Commissie, bij uitblijven van een reactie, op basis van het dossier advies zou uitbrengen. Voorts is belanghebbende in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen.
  • Bij e-mail van 17 december 2025 heeft de gemachtigde bericht dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord. De gemachtigde heeft daarbij aangekondigd de punten die anders tijdens de hoorzitting naar voren zouden zijn gebracht, schriftelijk aan de Commissie toe te zenden. Van die heeft gemachtigde op 13 maart 2026 gebruik gemaakt.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Algemeen

De Commissie heeft kennisgenomen van de passages uit de aanvullende beschouwing van de gemachtigde van belanghebbende over de planning van de (zeer vele) bezwaarprocedures bij de Commissie waarin zij als gemachtigde optreedt. De Commissie merkt op dat er overleg met de gemachtigde heeft plaatsgevonden vanuit het bestuur van de Commissie. De Commissie heeft de gemachtigde te kennen gegeven dat redelijke incidentele uitstelverzoeken niet zonder welwillendheid zullen worden bezien.”

Dossier

De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

FSV, O/GS en discriminatie

Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst.

Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt. De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar. De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in de beschouwing heeft toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie. UHT heeft verder gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken. De Commissie adviseert UHT de bezwaren ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Werkelijk geleden schade

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Toeslagjaar 2008 (onjuiste berekening)

Ten aanzien van de compensatieberekening voor toeslagjaar 2008 overweegt de Commissie als volgt. Voor component n, de immateriële schadevergoeding, geldt volgens de Wht dat wordt gerekend vanaf de datum van de eerste neerwaartse beschikking tot aan de datum van de eerste compensatiebeschikking. Uit de stukken volgt dat als begindatum niet 8 juni 2009, zijnde de datum van een interne melding, maar 23 juni 2009, zijnde de datum van de eerste neerwaartse beschikking, als uitgangspunt had moeten worden genomen. De einddatum van 22 februari 2024 is juist. De periode van 23 juni 2009 tot en met 22 februari 2024 komt afgerond neer op 30 halve jaren, hetgeen uitkomt op € 15.000,-. Omdat dit bedrag evenwel wordt afgetopt op de hoogte van component e, leidt de hiervoor genoemde onjuiste begindatum in dit geval niet tot een hogere vergoeding voor belanghebbende. De Commissie ziet daarom geen aanleiding om de compensatieberekening op dit punt onjuist te achten. Voor component o, de rente over gemiste KOT, overweegt de Commissie dat uit artikel 2.2, aanhef en onder g, in samenhang met artikel 2.3 lid 7 Wht volgt dat rente wordt vergoed over het bedrag aan gemiste KOT met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. Dat betekent dat de rente wordt berekend vanaf 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar tot en met de dagtekening van de compensatiebeschikking. De Commissie is van oordeel dat UHT de rente over het jaar 2008 overeenkomstig deze systematiek heeft berekend tot en met 22 februari 2024. De Commissie ziet daarom geen grond voor het oordeel dat component o onjuist is vastgesteld. De Commissie adviseert UHT om dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2009 (geen compensatie)

De Commissie overweegt dat de Wht uitsluitend voorziet in compensatie indien sprake is van institutioneel vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna O/GS). Ten aanzien van toeslagjaar 2009 overweegt de Commissie als volgt. Uit de stukken blijkt dat in dat jaar twee neerwaartse bijstellingen van de KOT hebben plaatsgevonden. Op 14 mei 2009 is de KOT verlaagd naar € 6.307,- wegens een stopzetting van de opvang per 24 maart 2009. Vervolgens is de KOT op 23 juni 2009 op nihil gesteld in verband met een fraudeonderzoek. Uit het dossier volgt voorts dat belanghebbende in 2009 in de Ziektewet zat. Tegen deze achtergrond acht de Commissie aannemelijk dat voor toeslagjaar 2009 evident geen recht op KOT bestond. Ook indien, veronderstellende wijs, zou worden aangenomen dat bij de behandeling van dit toeslagjaar sprake zou zijn geweest van vooringenomen handelen, leidt dat in een geval als dit niet tot compensatie, omdat evident geen recht op KOT bestond. Voor zover belanghebbende een beroep doet op hardheid van het stelsel, overweegt de Commissie dat uit het dossier weliswaar volgt dat sprake was van een terugvordering of verlaging van de KOT van € 1.500,- of meer, maar niet dat de terugvordering is veroorzaakt door een kleine formele tekortkoming, het slechts gedeeltelijk betalen van de opvangkosten, fraude door een derde of een andere bijzondere omstandigheid die binnen het kader van de hardheidsregeling tot compensatie kan leiden. Evenmin zijn er indicaties gevonden voor de stelling dat de KOT aan een kinderopvanginstelling is uitbetaald of dat zich een andere bijzondere situatie voordeed die maakt dat UHT op dit punt anders had moeten oordelen. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van toeslagjaar 2009 sprake is van hardheid in de zin van de Wht. Ten slotte zijn er geen aanwijzingen te vinden voor een onterechte kwalificatie O/GS over de toeslagjaar 2009. Reeds daarom bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming op grond van artikel 2.6 Wht. De Commissie adviseert UHT om dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten

Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter