Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15762

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 december 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 7 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 19 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 6 december 2023 (UHT-DCHA).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 26 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 en 2010. In overleg belanghebbende heeft UHT de jaren 2009 tot en met 2013 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 17 december 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 november 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 15 januari 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 2 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 7 januari 2026 heeft gemachtigde nadere stukken ingestuurd.
  • Op 7 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009 toe en met 2013 af te wijzen.

Algemeen

Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het systeem.

Uit het bezwaardossier volgt dat over de toeslagjaren 2009, 2011 en 2012 geen verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. De Commissie is op basis van de stukken van opvatting dat de verlagingen over de jaren 2010 en 2013 zijn gebaseerd op reguliere wijzigingen: een gewijzigd toetsingsinkomen en stopzetting van de KOT door belanghebbende. De Commissie is van oordeel dat B/T mocht uitgaan van de juistheid van deze doorgegeven wijzigingen. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie op grond van de Wht.

Toeslagjaar 2012

Belanghebbende heeft gesteld dat B/T vooringenomen heeft gehandeld door de KOT over de maanden januari 2012 en februari 2012 te betalen aan kinderopvanginstelling 1 (KOI 1), terwijl deze kinderopvanginstelling eind januari 2012 failliet is verklaard. Belanghebbende heeft als gevolg daarvan de kosten van kinderopvang van de nieuwe kinderopvanginstelling 2 (hierna: KOI 2) over deze maanden zelf moeten voldoen. Voor het geval geen sprake is van vooringenomenheid maakt belanghebbende gelet op voormelde bijzondere omstandigheden, aanspraak op compensatie op grond van de hardheidsregeling.

Voor de beantwoording van de vraag of B/T vooringenomen heeft gehandeld door de KOT in de maanden januari 2012 en februari 2012 over te maken aan [KOI 1] zal eerst een toelichting worden gegeven over het feitelijk verloop van het toeslagjaar.

Belanghebbende ontvangt vanaf december 2009 KOT. De KOT is altijd rechtstreeks betaald aan [KOI 1], dit volgt uit de LIC-overzichten. Met ingang van 1 januari 2012 is de kinderopvang overgenomen door [KOI 2]. Uit de door belanghebbende op 7 januari 2026 verstrekte stukken blijkt dat zij in december 2011 door [KOI 2] op de hoogte is gesteld van de wijziging van de LRK-nummers, waarbij is meegedeeld dat belanghebbende deze nodig heeft voor het doorgeven van wijzigingen in de kinderopvang aan B/T. Eind januari 2012 is [KOI 1] failliet verklaard. Door middel van een wijzigingsformulier (productie 12120050) heeft belanghebbende op 25 januari 2012 een wijziging van het rekeningnummer doorgegeven voor de betaling van KOT. Uit het LIC-overzicht 2012 (productie 2700106) volgt dat ten tijde van de ontvangst van dit wijzigingsformulier de KOT over de maanden januari 2012 en februari 2012 reeds was uitbetaald aan [KOI 1], namelijk op 15 december 2011 en 17 januari 2012. Na verwerking van de wijziging heeft B/T de KOT met ingang van maart 2012 overgemaakt op het rekeningnummer eindigend op XXX. Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende bevestigd dat dit haar ING-rekeningnummer betreft. Dit betekent dat de KOT over de maanden maart 2012 tot en met december 2012 rechtstreeks aan belanghebbende is uitbetaald.

De Commissie merkt op dat het te betreuren valt belanghebbende is geconfronteerd met de situatie van een failliete kinderopvang. Echter toen het faillissement werd uitgesproken waren de betalingen reeds voldaan. Dit heeft ertoe geleid dat in deze maanden een bedrag van in totaal € 374,- is betaald aan kinderopvanginstelling [KOI 1], terwijl belanghebbende vanaf 1 januari 2012 kinderopvang heeft afgenomen bij [KOI 2] en de kosten daarvan voor twee maanden voor haar rekening zijn gekomen. Hoewel belanghebbende hiervan mogelijk financiële problemen heeft ondervonden, ziet de Commissie in de hiervoor geschetste van zaken onvoldoende basis om te oordelen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. Het bezwaar van belanghebbende op dit punt treft dan ook geen doel.

De Commissie volgt belanghebbende evenmin in haar standpunt dat zij gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval aanspraak maakt op compensatie op grond van de hardheidsregeling. Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen een bijzondere omstandigheid opleveren die recht geeft op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van een bijzondere omstandigheid dient een bedrag van ten minste € 1.500,- te zijn teruggevorderd. Hier is geen sprake van.

Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling. De Commissie adviseert UHT het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter