BAC 2025-15745
Publicatiedatum 09-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 december 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 16 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 17 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door degemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 4 december 2023 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvan gtoeslag met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Op 12 mei 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2018.
- Op 16 mei 2022 heeft UHT op basis van de eerste toets aangegeven dat belanghebbende vooralsnog niet in aanmerking komt voor een betaling op grond van de Catshuisregeling.
- Op 23 oktober 2023 heeft UHT als vooraankondiging aangegeven dat belanghebbende geen recht heeft op de herstelregelingen.
- Op 4 december 2023 heeft UHT besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2018.
- Op 8 januari 2024 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
- Op 13 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 16 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd. Voor aanvang van de hoorzitting heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Naar aanleiding van hetgeen is besproken tijdens de hoorzitting heeft UHT op
13 januari 2026 aangegeven dat de afkorting IST staat voor Integraal Subjectgericht Toezicht en nog in afwachting te zijn van de uitkomst van de nadere zoekslag naar stukken over de kwalificatie van opzet of grove schuld (hierna: O/GS). - Op 17 februari 2026 heeft UHT een aanvullende beschouwing en nadere stukken toegestuurd. Gemachtigde heeft op 2 maart 2026 gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich voor de vraag gesteld of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot de beslissing om het verzoek om compensatie of tegemoetkoming volledig af te wijzen.
Afgewezen compensatie
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, volgens het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
In het bestreden besluit, de schriftelijke beschouwing en het feitenoverzicht heeft UHT uitgebreid beschreven welke zowel opwaartse als neerwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden. Voor toeslagjaar 2014 is € 338 teruggevorderd. Voor de toeslagjaren 2015 en 2016 heeft geen terugvordering plaatsgevonden. Voor toeslagjaar 2017 is in totaal € 1.863 teruggevorderd en voor toeslagjaar 2018 € 1.476 (maand januari). Het betreffen volgens UHT steeds reguliere correcties die zijn gebaseerd op het aantal daadwerkelijk afgenomen opvanguren dan wel de door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting per 1 december 2017. Op dat moment was de KOT voor 2018 reeds automatisch gecontinueerd en is de KOT voor januari uitbetaald aan belanghebbende. De beschreven wijzigingen worden ondersteund door de stukken in het bezwaardossier.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het standpunt van UHT onjuist te achten. De Commissie heeft kennisgenomen van de vertraging die is opgetreden bij het toekennen van (een voorschot van) KOT vanwege onduidelijkheid over mogelijk toeslagpartnerschap. Hoewel de Commissie zich kan voorstellen dat de vertraging ongemak heeft veroorzaakt, ziet zij hierin geen aanknopingspunt om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van KOT institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Gelet op de bijzondere woonsituatie was er aanleiding voor B/T om nader onderzoek te doen of werd voldaan aan de voorwaarden voor KOT.
Afgewezen O/GS-tegemoetkoming
Naar aanleiding van hetgeen is besproken ter hoorzitting heeft UHT nogmaals aan de betreffende afdeling gevraagd onderzoek te doen naar de vraag of sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie en naar de eventuele onderliggende stukken daarvan. In de aanvullende schriftelijke beschouwing van 17 februari 2026 heeft UHT aangegeven dat hiervan geen sprake is. In de bijgevoegde productie wordt vermeld dat geen O/GS is vastgesteld. Wel is gebleken dat op 26 augustus 2020 een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling van belanghebbende is ontvangen. UHT vermoedt dat op dit verzoek geen beslissing is genomen omdat belanghebbende zich heeft aangemeld voor herbeoordeling van de KOT en daardoor uitstel van betaling werd verleend totdat de beoordeling hiervan heeft plaatsgevonden.
Gemachtigde stelt in reactie hierop dat de aanvullende beschouwing geen feitelijke documenten, geen individuele motivering, geen tijdlijn, geen inzicht in geraadpleegde systemen en geen vastlegging van de beoordeling bevat. Zonder deze stukken kan de vaststelling niet effectief worden bestreden.
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.6 lid 1 Wht B/T aan een aanvrager van KOT op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toekomt indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de KOT heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan haar geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van haarzelf of partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de KOT.
Het is de Commissie gebleken dat de terugvordering KOT 2014 van € 338 is terugbetaald in zeven betaaltermijnen van rond de € 50. Voor de terugvordering KOT 2017 is op 14 april 2018 een bedrag van € 1.477 verrekend met het kindgebonden budget voor 2018. Voor het overgebleven bedrag van € 386 blijkt uit brieven van B/T dat hiervoor een betalingsregeling is getroffen (productie 1217011 en 1217012) en dat zowel in oktober als in november van 2019 een betaling van € 20 is verricht. De invordering is momenteel gepauzeerd. Voor toeslagjaar 2018 hebben er op 12 juni 2018 en 12 december 2018 verrekeningen met het kindgebonden budget voor 2018 en 2019 plaatsgevonden, het overgebleven bedrag van € 266 is administratief verwijderd. Gelet hierop, acht de Commissie het niet aannemelijk dat aan belanghebbende geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd in verband met de terugvorderingen. In dat licht bezien bestaan op voorhand geen aanknopingspunten dat UHT ten onrechte een O/GS-tegemoetkoming aan belanghebbende heeft geweigerd.
Met betrekking tot het verzoek om de onderliggende stukken O/GS overweegt de Commissie als volgt. Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.
De onderliggende stukken betreffende de O/GS-kwalificatie ontbreken in dit geval.
Aan UHT wordt geadviseerd voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter