BAC 2025-15740
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 november 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 12 maart 2026 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026
Samenvatting
De Commissie adviseert om het bezwaar tegen het besluit met kenmerk UHT-DCH gegrond te verklaren en aan belanghebbende ter zake van dat bezwaar een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 35.164,- voor de jaren 2005, 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 29 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013, 2014 en 2015. Nadien is in overleg met belanghebbende dit verzoek gewijzigd naar de jaren 2005, 2010, 2014 en 2015.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 31.079,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 35.164,- voor de jaren 2005, 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 december 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 25 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 maart 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 12 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 26 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 20 april 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Compleetheid dossier
Belanghebbende stelt dat het bezwaardossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Het ouderdossier is op 13 februari 2025 toegezonden. De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 15 januari 2026 toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 18 en 21 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met artikel 18, derde en vierde lid, Awir heeft gehandeld door de KOT over 2010 definitief vast te stellen zonder haar eerst aan te manen de ontbrekende gegevens over kind 2 aan te leveren. Daarnaast beroept zij zich op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, Awir en voert zij aan dat B/T zich achteraf niet op herziening kan beroepen, omdat de ontbrekende gegevens vóór de vaststelling nog hadden kunnen worden opgevraagd.
De Commissie overweegt dat deze bezwaarprocedure ziet op herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet op eventuele omissies in (de gegevensverstrekking ter zake van) de aanvraag of de vaststelling van KOT. Voor zover belanghebbende met haar beroep op artikel 18 en 21 Awir aanvoert dat de definitieve vaststelling van de KOT over 2010 destijds onrechtmatig was, is de Commissie van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt en laat zij dit daarom verder onbesproken.
Rentevergoeding over gemiste KOT en immateriële schadevergoeding (componenten n en o)
Belanghebbende stelt dat dat de rentevergoeding over gemiste KOT verkeerd is berekend. Volgens haar dient dit berekend te worden tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. Ook stelt belanghebbende dat de immateriële schadevergoeding verkeerd is berekend.
Ten aanzien van de einddatum overweegt de Commissie als volgt. Op grond van artikel 2.2, aanhef onder g, Wht wordt rente vergoed over het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de KOT of het beëindigen van de voorschotverlening van KOT. De rente wordt volgens artikel 2.3 lid 7 Wht berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Op grond van artikel 27 Awir wordt de rente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat begint op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de datum van het besluit tot toekenning van de tegemoetkoming, tot herziening van de tegemoetkoming of tot herziening van de terugvordering.
Wat de einddatum betreft stelt UHT dat de rentevergoeding voor gemiste KOT voor het desbetreffende toeslagjaar doorloopt tot de datum van de beslissing op bezwaar in het geval dat de grondslag voor de compensatie (het bedrag onder c in de berekening) in dat toeslagjaar moet worden aangepast. In andere gevallen blijft de einddatum op de datum van het bestreden besluit. De Commissie is van oordeel dat deze opvatting van UHT niet op een onjuist juridisch uitgangspunt berust.
Nu UHT is uitgegaan van het juiste bedrag als grondslag voor de berekening, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in https:/schadeherstel.toeslagen.nl.
Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor het toeslagjaar 2010.
Uit het bezwaardossier volgt dat belanghebbende voor november en december 2010 ook voor kind 2 KOT heeft aangevraagd. Deze aanvraag is telefonisch gedaan en de KOT is vervolgens door B/T toegekend. Daarmee was bij B/T bekend, althans had bij B/T bekend moeten zijn, dat in het toeslagjaar 2010 niet alleen voor kind 1, maar ook voor kind 2 aanspraak op KOT was gemaakt. Vervolgens heeft B/T bij belanghebbende informatie uitgevraagd. Belanghebbende heeft daarop stukken aangeleverd, waaronder een jaaropgave. Deze jaaropgave zag echter enkel op kind 1. Naar aanleiding van deze informatie is de KOT op 8 juni 2013 verlaagd van €4.493 naar € 3.266.
De Commissie is van oordeel dat B/T onder deze omstandigheden niet zonder meer tot verlaging van de KOT had mogen overgaan op basis van de door belanghebbende aangeleverde, maar kennelijk onvolledige informatie. Daarbij acht de Commissie van belang dat B/T uit de eigen systemen kon afleiden dat voor kind 2 eveneens KOT was aangevraagd en toegekend. Wanneer vervolgens slechts informatie over kind 1 wordt ontvangen, lag het op de weg van B/T om belanghebbende gericht en kenbaar nogmaals in de gelegenheid te stellen om ook de ontbrekende gegevens met betrekking tot kind 2 aan te leveren.
Dat belanghebbende bij de eerste informatieverstrekking niet alle benodigde stukken heeft overgelegd, neemt niet weg dat B/T bij de verdere behandeling van de aanvraag de op haar rustende zorgvuldigheid in acht moest nemen. Juist omdat B/T wist, althans behoorde te weten, dat de aanvraag betrekking had op twee kinderen, had zij niet zonder nadere navraag mogen aannemen dat voor kind 2 geen of een lagere aanspraak op KOT bestond. Door belanghebbende niet nogmaals en specifiek in de gelegenheid te stellen om de ontbrekende stukken voor kind 2 aan te leveren, is de verlaging van de KOT naar het oordeel van de Commissie onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en het recht op compensatie voor het toeslagjaar 2010 opnieuw te beoordelen met inachtneming van het voorgaande.
Ten overvloede merkt de Commissie op dat de Wht niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie verwijst in dit verband naar hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van artikelen 18 en 21 Awir.
Herbeoordeling toeslagjaren 2006 tot en met 2009, 2011, 2012 en 2016 Belanghebbende stelt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2006 tot en met 2009, 2011, 2012 en 2016 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling.
Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voorafgaand aan 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een besluit daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2013, 2014 en 2015. De PZB heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende aangepast met de toeslagjaren 2005, 2010, 2014 en 2015. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de toeslagjaren 2006 tot en met 2009, 2011, 2012 en 2016 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden het bestreden besluit moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en het bestreden besluit de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de ter zitting gedane toezegging van UHT om deze toeslagjaren voor te leggen aan de eerder genoemde PZB om als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie de behandeling van het bezwaar niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken.
De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen.
Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gegrond is en de bestreden beslissing moet worden herroepen, adviseert de Commissie belanghebbende proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH gegrond te en de beschikking te herzien, in die zin dat UHT het toeslagjaar 2010 opnieuw beoordeelt met inachtneming van het hiervoor vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen voor deze bezwaarprocedure.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter