BAC 2025-15737
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 16 oktober 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 20 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend over de toeslagjaren 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2018 tot en met 2020. In overleg met belanghebbende is dit verzoek aangepast naar de toeslagjaren 2018 en 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 28 juni 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 januari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 18 december 2023, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij voorlopig geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2018 en 2019.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 5 februari 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft op 6 maart 2024, bezwaar ingediend tegen deze beschikking.
- UHT heeft op 21 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 16 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 30 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 28 november 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe UHT tot afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2018 tot en met 2019 is gekomen.
De Commissie overweegt hier over als volgt. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (hierna: LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over zijn volledige dossier en verzoekt specifiek om de LIC-overzichten.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarbij merkt de Commissie op dat het beginsel van equality of arms in de bezwaarfase geen zelfstandige rol speelt (vgl. ABRvS 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3391). Op grond van artikel 7:4, tweede lid, Awb heeft belanghebbende echter wel recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan de hoorzitting. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 28 juli 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt verder uiteen te zetten. Verder merkt de Commissie op dat UHT de verzochte stukken aan het dossier heeft toegevoegd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de toeslagjaren 2018 en 2019 geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. Om deze reden stelt belanghebbende dat over deze jaren sprake is van hardheid van het stelsel. UHT stelt dat B/T bij verrekeningen van KOT geen rekening hoeft te houden met de beslagvrije voet, nu KOT niet wordt beschouwd als inkomensondersteuning, maar is bedoeld als bevordering van de arbeidsparticipatie.
De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Recht op compensatie over toeslagjaar 2019
Belanghebbende stelt ter zitting dat over toeslagjaar 2019 wel recht op compensatie bestaat. Zij stelt dat er opvang is geweest van januari tot en met mei 2019, maar dat deze gegevens pas op 2 december 2020 door de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) zijn verstrekt. Daarnaast verwijst belanghebbende naar het SAS-overzicht, waaruit volgens haar blijkt dat deze gegevens niet zijn meegenomen in de definitieve beschikking KOT over toeslagjaar 2019 van 3 mei 2021. Volgens belanghebbende heeft UHT onvoldoende onderbouwd waarom er geen causaal verband bestaat tussen de beschikking van 3 mei 2021 en de gegevens van de KOI. Dit causaal verband is vereist voor het toekennen van compensatie, omdat de definitieve beschikking KOT over toeslagjaar 2019 na 23 oktober 2019, de datum vermeld in artikel 2.1 lid 1 sub a van de Wht, is afgegeven.
Volgens UHT is voor het toeslagjaar 2019 geen sprake van vooringenomenheid, omdat de verlaging van de kinderopvangtoeslag van € 12.088 naar € 7.483 op 3 mei 2021 is gebaseerd op de in de KOI-viewer opgenomen gegevens en niet zonder voorafgaande uitvraag heeft plaatsgevonden. Op 11 juli 2020 was een informatieverzoek verstuurd, gevolgd door een herinnering op 12 september 2020, waardoor belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om informatie aan te leveren. Hoewel de in de KOI-viewer vermelde opvanguren afweken van eerder door de kinderopvanginstelling [naam KOI] aangeleverde gegevens, levert dit geen vooringenomenheid op, omdat B/T de KOI-gegevens in beginsel mag volgen en er geen aanwijzingen bestonden om op dat moment aan die gegevens te twijfelen. Volgens UHT bestaat geen causaal verband met de beschikking KOT van 3 mei 2021. De eerdere interne melding van 2 juli 2019 die ter zitting is besproken betrof een ander contactmoment dat niet tot een verlaging leidde, maar juist tot een verhoging van de toeslag. Het proces tot definitieve vaststelling van de toeslag over 2019 begon pas met het informatieverzoek van 11 juli 2020, zodat gebeurtenissen van vóór 23 oktober 2019 geen verband houden met de latere neerwaartse correctie.
Belanghebbende voert aan dat wel sprake is van vooringenomen handelen door B/T, omdat de KOI-viewer volgens haar een onbetrouwbare en onvolledige informatiebron was waarvan B/T niet zonder verificatie gebruik had mogen maken, zeker nu reeds beschikbare opvanggegevens van [naam KOI] uit december 2020 daarmee conflicteerden. Door deze gegevens niet te controleren en toch de voor haar nadelige KOI-registratie te volgen, is de definitieve beschikking KOT over toeslagjaar 2019 van 3 mei 2021 volgens belanghebbende onzorgvuldig voorbereid. Daarnaast stelt zij dat er een causaal verband bestaat tussen een reeks fouten en ontbrekende informatie vóór 23 oktober 2019 en de latere verlaging in 2021, omdat B/T al in 2019 herhaaldelijk tevergeefs gegevens probeerde op te vragen en eerdere onjuiste verwerkingen in de opvanglijn niet heeft hersteld. Tot slot beroept zij zich op de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht en wijst zij op de ernstige persoonlijke gevolgen die de verlaging voor haar en haar kinderen heeft gehad, waardoor strikte toepassing van de peildatum volgens haar onbillijk zou zijn.
De Commissie overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat B/T bij de verlaging van de kinderopvangtoeslag over 2019 op 3 mei 2021 vooringenomen heeft gehandeld. B/T mocht in beginsel uitgaan van de in de KOI-viewer opgenomen gegevens en heeft, anders dan belanghebbende stelt, voorafgaand aan de besluitvorming een informatieverzoek en een herinnering gestuurd. Daarmee kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen mogelijkheid is geboden om informatie aan te leveren waaruit blijkt dat zij meer kinderopvang heeft gehad dan uit de KOI viewer blijkt en welke kosten daar aan verbonden waren. Voorts is niet gebleken van een causaal verband tussen gebeurtenissen van vóór 23 oktober 2019 en de neerwaartse correctie van 3 mei 2021. Het proces tot definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2019 is pas in juli 2020 begonnen Daarmee is geen sprake van doorwerking van vooringenomen handelen na de peildatum die onder de reikwijdte van de Wht valt. De Commissie heeft begrip voor de ernst van de door belanghebbende gestelde persoonlijke omstandigheden en heeft gelezen dat de verlaging zware gevolgen voor belanghebbende heeft gehad , maar is van oordeel dat deze omstandigheden in dit kader onvoldoende grondslag bieden voor toepassing van de hardheidsclausule uit artikel 9.1 Wht. De Commissie adviseert hierom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter