BAC 2025-15733
Publicatiedatum 09-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 januari 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 26 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 19 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 4 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van in totaal € 68.520 voor het toeslagjaar 2005 op grond van hardheid, voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 op grond van vooringenomenheid en voor het toeslagjaar 2010 op grond van een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). Voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 bestaat geen recht op compensatie of tegemoetkoming.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006 en 2007. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2005 en 2007 tot en met 2013 herbeoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 augustus 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2010 tot en met 2013.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 68.520 voor het toeslagjaar 2005 op grond van hardheid, voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 op grond van vooringenomenheid en voor het toeslagjaar 2010 op grond van een O/GS-tegemoetkoming. Voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 bestaat geen recht op compensatie of tegemoetkoming.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 februari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 14 maart 2025 schriftelijk gereageerd. Dit stuk wordt hierna aangeduid als de beschouwing.
- Op 26 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Tijdens de hoorzitting heeft de Commissie gemachtigde en belanghebbende verzocht om nadere informatie aan te leveren over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. Gemachtigde heeft bij e-mail van 9 februari 2026 namens belanghebbende verklaard geen nadere informatie tot haar beschikking te hebben.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
In het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting hebben gemachtigde en belanghebbende het bezwaar toegespitst op de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. De Commissie ziet zich voor deze toeslagjaren gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. Daarnaast zal de Commissie adviseren over de vraag of de compensatie voor de toeslagjaren 2005 en 2007 tot en met 2009 juist is berekend.
Toeslagjaren 2011 tot en met 2013
Belanghebbende stelt dat zij voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 ten onrechte niet is gecompenseerd. Zij betoogt dat zij met onterechte terugvorderingen werd geconfronteerd. Ook meent zij dat zij geen wijzigingen in het aantal opvanguren heeft doorgegeven, de KOT niet heeft stopgezet en dat zij haar recht op KOT niet (nader) aannemelijk heeft kunnen maken.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Voor het toeslagjaar 2011 is op 1 september 2011 telefonisch een stopzetting van de KOT doorgegeven per 1 januari 2011. De enkele stelling van belanghebbende dat zij de KOT niet heeft stopgezet, geeft de Commissie onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de informatie in het dossier dat belanghebbende (of iemand namens haar) dit heeft gedaan. De B/T heeft destijds op deze informatie mogen vertrouwen. Daarnaast heeft gemachtigde tijdens de hoorzitting betoogd dat er op 16 februari 2012 bezwaar is gemaakt tegen de terugvorderingen. Gemachtigde vraagt zich af waarom dit bezwaar zou zijn gemaakt, als de KOT al was stopgezet. De Commissie constateert dat belanghebbende op 16 februari 2012 in bezwaar ging tegen de beschikking voor het toeslagjaar 2010, te weten de beschikking met beschikkingsnummer 2040.52.014.T10.0.0201.
Voor de toeslagjaren 2012 en 2013 heeft de B/T twee vraagbrieven uitgestuurd. Het dossier bevat geen aanwijzingen waaruit blijkt dat belanghebbende op deze brieven heeft gereageerd en dat er recht bestond op KOT. Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting ook verklaard dat zij brieven van de B/T op een gegeven moment niet meer heeft geopend. De Commissie heeft belanghebbende tijdens de hoorzitting verzocht om te onderzoeken of zij wellicht toch nog aanknopingspunten kan bieden, in de vorm van stukken van de bank, dan wel anderszins, waaruit blijkt dat er kosten zijn gemaakt voor de kinderopvang. Gemachtigde heeft in haar e-mail van 9 februari 2026 meegedeeld dergelijke informatie niet te kunnen verkrijgen. Hoewel de Commissie begrijpt dat het achterhalen van informatie over een periode die erg lang geleden is, moeilijk of zelfs onmogelijk kan zijn, betekent dit wel dat het recht op KOT niet aannemelijk is. Het dossier bevat daar namelijk geen aanwijzingen voor.
De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was in deze jaren ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatie
De Commissie constateert dat UHT de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2005 en 2007 tot en met 2009 opnieuw heeft uitgevoerd in de beschouwing van 14 maart 2025. Uitkomst daarvan is dat de compensatieberekening voor de genoemde toeslagjaren zal worden aangepast op onderdeel o. Hierdoor zullen de onderdelen n en p opnieuw worden berekend in de beslissing op bezwaar. De Commissie acht de berekening en de toelichting van UHT daarop begrijpelijk en ziet geen reden voor twijfel daaraan. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en in haar beslissing op bezwaar de bedragen aan te passen overeenkomstig hetgeen zij daarover heeft opgemerkt in haar beschouwing.
Nu de bestreden beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter