Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15726

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 24 april 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 15 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 4 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 november 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2019. UHT heeft de jaren 2018 en 2019 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 31 januari 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 juli 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 30 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 1 oktober 2025 het ontbrekende LIC-overzicht ten aanzien van 2018 toegestuurd.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 15 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 18 oktober 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie beantwoordt deze vraag bevestigend.

Toeslagjaar 2018
Belanghebbende betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) over 2018 vooringenomen heeft gehandeld omdat zij onnodig lang heeft moeten wachten op de toekenning van de KOT voor haar tweede kind. Ook had B/T uitvraag moeten doen alvorens de KOT te verlagen op grond van een door de kinderopvangorganisatie (KOI) doorgegeven wijziging van het aantal opvanguren (van 228 naar 215 uur).

De Commissie stelt vast dat belanghebbende op 24 november 2017 KOT heeft aangevraagd voor haar tweede kind, per 1 januari 2018. UHT heeft toegelicht dat B/T vanwege het kenmerk HOTHOR – hoge toeslag/hoog risico – op 10 januari 2018 heeft verzocht om informatie voor alle kinderen waarvoor belanghebbende KOT heeft aangevraagd voor 2017, waarbij is vermeld dat de gegevens ook van invloed kunnen zijn op de KOT 2018. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 19 februari 2018. Onder meer is de plaatsingsovereenkomst overgelegd van het tweede kind van belanghebbende per 1 januari 2018.

Dit is blijkens de melding van 27 februari 2018 op die datum beoordeeld.
Bij beschikking van 21 maart 2018 is vervolgens KOT toegekend voor het tweede kind.

De Commissie overweegt dat het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of er institutionele vooringenomenheid is geweest, maar leidt op zichzelf niet dwingend tot een bevestigend antwoord op die vraag.

Aanwijzingen voor zo’n bevestigend antwoord zijn, als ook rekening wordt gehouden met de andere feiten en omstandigheden van dit geval, onvoldoende aannemelijk geworden.

Verder meent de Commissie dat de duur van het verwerken van de aanvraag niet dusdanig lang is dat op grond hiervan vooringenomen handelen moet worden aangenomen.

Evenmin volgt de Commissie dat B/T uitvraag had moeten doen vanwege de doorgegeven verlaging van het aantal opvanguren van 228 naar 215 uur voor het eerste kind van belanghebbende. In de eerste plaats is de KOT niet verlaagd maar juist verhoogd bij beschikking van 4 oktober 2019, van € 29.727 naar € 30.321,-. Deling van het totaal aantal uren opvang van 643,32 in de periode 1 januari tot en met 26 maart 2018 door 3 (maanden) leidt bovendien tot 215 uur per maand. Hoe dan ook is geen sprake van een dermate verlaging dat B/T hieraan had moeten twijfelen en uitvraag had moeten doen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2019
Belanghebbende betoogt dat B/T over 2019 vooringenomen heeft gehandeld door de KOT te verlagen op basis van de gewerkte uren van haar toenmalige toeslagpartner. B/T was al in het bezit van de informatie dat de toeslagpartner sinds januari 2017 als student stond geregistreerd. De KOT had moeten worden gebaseerd op de gewerkte uren van belanghebbende omdat zij de partner met het laagste aantal uren was. In ieder geval had B/T nogmaals uitvraag moeten doen naar het bewijs van studie van de toeslagpartner.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is gemaakt dat B/T voor de verlaging van de KOT bij beschikking van 21 september 2019 over informatie beschikte dat de toeslagpartner ook in 2019 student was. De Commissie stelt vast dat B/T tweemaal, op 3 juli 2019 en 5 augustus 2019 (pagina 179 e.v.) uitvraag heeft gedaan naar bewijs van studie van de toeslagpartner. De Commissie vindt niet dat het nalaten van een derde keer navraag, vooringenomen is.

Naar alle waarschijnlijkheid is op grond van de door belanghebbende in reactie op de uitvraag verstrekte loonstroken van haar toeslagpartner het aantal gewerkte uren van de toeslagpartner vastgesteld. Dit leidt de Commissie af uit de melding van 20 augustus 2019 in de tijdlijn in samenhang met de brief van 26 augustus 2019 (p. 193).

Belanghebbende heeft op de hoorzitting bevestigd dat het aantal gewerkte uren (407) van haar toenmalige toeslagpartner waar B/T vanuit is gegaan, kan kloppen. Dat de KOT is gebaseerd op het aantal gewerkte uren van de toeslagpartner en daarom bij beschikking van 21 september 2019 is verlaagd, is daarom niet vooringenomen. Later, in bezwaar, heeft belanghebbende bewijs overgelegd dat haar toeslagpartner vanaf 1 januari 2019 een voltijdsopleiding heeft gevolgd. Vervolgens is de KOT vastgesteld op grond van het aantal gewerkte uren van belanghebbende.

Terugbetaling aan de kinderopvanginstelling
Belanghebbende betoogt dat zij recht heeft op compensatie omdat zij over het jaar 2019 veel geld moest terugbetalen aan de kinderopvanginstelling.

De Commissie leidt uit het dossier af dat belanghebbende op grond van de gewerkte uren van haarzelf en haar toeslagpartner recht had op KOT voor minder uren dan zij opvang afnam. Dit verklaart naar de Commissie meent de schuld aan de kinderopvanginstelling. Naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende is voor meer uren KOT toegekend.

De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te adviseren alsnog compensatie toe te kennen.

KOT voor derde kind
Belanghebbende betoogt dat voor haar derde kind structureel geen KOT is toegekend terwijl ze daar wel om heeft gevraagd. Dit is volgens haar vooringenomen.

De Commissie stelt vast dat het derde kind van belanghebbende is geboren op
28 maart 2019 en dat belanghebbende in mei 2019 KOT heeft aangevraagd per
1 juni 2019.

Bij de daaropvolgende beschikkingen, waarvan de eerste dateert van
21 september 2019, is ook voor het derde kind steeds KOT toegekend. Dat de toekenning enige tijd op zich heeft laten wachten heeft te maken met het opvragen en beoordelen van bewijsstukken.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter