Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15725

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 11 augustus 2023 (UHT-DCH)

Overdracht advies aan UHT: 17 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) vergoeding toegekend voor een bedrag van € 47.374 voor de maanden september tot en met december van het toeslagjaar 2008 en de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011. Over de maanden januari tot en met augustus van het toeslagjaar 2008 en het toeslagjaar 2012 is geen vergoeding toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking aan belanghebbende een definitieve vergoeding toegekend voor een bedrag van € 47.374.
  • Gemachtigde heeft op 17 april 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 27 november 2025 namens belanghebbende aangegeven dat geen behoefte bestaat om het bezwaar tijdens een hoorzitting nader toe te lichten en heeft de Commissie verzocht om in deze zaak op de stukken advies uit te brengen.
  • De Commissie heeft gemachtigde in de gelegenheid gesteld om desgewenst uiterlijk op 5 februari 2026 aanvullende bezwaargronden in te dienen. De termijn hiervoor is ruim verstreken, zodat de Commissie overgaat tot advisering.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat in de beschouwing en het dossier met alle stukken is opgemerkt.

De Commissie ziet niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart zou hebben gebracht.

Onvolledig dossier/persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken zich in het dossier bevinden. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn op 15 oktober 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Forfaitaire bedrag materiële en immateriële schade

Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding

van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen.

Vaststelling KOT over de toeslagjaren

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het

bezwaar ongegrond te verklaren.

Doorlopende toeslagjaren

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Toeslagjaar 2008

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende over de periode september tot en met december van het toeslagjaar 2008 aanspraak heeft op compensatie vanwege vooringenomen handelen door B/T. UHT stelt zich op het standpunt dat over de periode januari tot en met augustus van het toeslagjaar 2008 sprake is van evident geen recht omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende over deze periode gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de maanden januari tot en met augustus van het toeslagjaar 2008 omdat belanghebbende in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt over de maanden januari tot en met augustus van het toeslagjaar 2008 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

Ten aanzien van het toeslagjaar 2012 overweegt de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie in KOT was gelegen in een stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf. In het dossier is een TVS-melding van de desbetreffende stopzetting aanwezig (pagina 483). Belanghebbende heeft ook niet betwist dat zij de KOT zelf heeft stopgezet.

De bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is naar het oordeel van de Commissie ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De hoogte van de compensatieberekening

Belanghebbende betwist de juistheid van de berekening van de hoogte van het bedrag aan compensatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing van 19 juni 2025 opgemerkt dat de rentevergoeding over gemiste KOT (component o) over de desbetreffende toeslagjaren in het nadeel van belanghebbende verkeerd is berekend. UHT heeft toegezegd dat dit bedrag in de beslissing op bezwaar zal worden aangepast. De Commissie adviseert dienovereenkomstig. Het bezwaar is in zoverre gegrond. Omdat aanpassing van de rentevergoeding over gemiste KOT herroeping van het bestreden besluit ten gevolge heeft, adviseert de Commissie UHT - aansluitend bij haar eigen standpunt – om de vergoeding voor immateriële schade en alle op grond van de Wht daarmee samenhangende vergoedingen in de beslissing op bezwaar opnieuw te berekenen.

Werkelijke schade

Belanghebbende voert aan dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor haar compensatie is toegekend. De Commissie overweegt als volgt.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. De wet hersteloperatie toeslagen (Wht) biedt gedupeerde ouders de mogelijkheid om - naast de (deels) forfaitaire compensatie - ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen.

Sinds 25 november 2025 is er een nieuw digitaal informatie- en aanmeldportaal via de website schadeherstel.toeslagen.nl. Gedupeerde ouders die vinden dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de KOT dan zij in de integrale beoordeling (IB) vergoed hebben gekregen, kunnen zich via voornoemd digitaal portaal aanmelden.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter