Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15719

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 mei 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t

Overdracht advies aan UHT: 28 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 13 mei 2024 (UHT-DHCO).

Aan belanghebbende is daarbij met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.456,-, aangevuld tot € 30.000,-, voor het jaar 2006 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 en 2007 tot en met 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft UHT op 12 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2005 tot en met 2010 betrokken in de herbeoordeling.
  • UHT heeft bij besluit van 8 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- ingevolge de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat in de jaren 2005 en 2007 tot en met 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Daarnaast heeft de CvW geadviseerd dat de O/GS-tegemoetkoming niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2007, 2009 en 2010.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 29.456,-, aangevuld tot € 30.000,-, voor het jaar 2006 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 en 2007 tot en met 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft de gronden van het bezwaar bij brief van 21 april 2025 aangevuld.
  • UHT heeft op 15 mei 2025 in een beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 2 september 2025 bericht dat belanghebbende geen gebruik wenst te maken van de hoorzitting. Gemachtigde heeft bij bericht van 4 november 2025 toegelicht dat om persoonlijke redenen wordt afgezien van het recht te worden gehoord. De Commissie ziet daarom gelet op artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende. Zij zal advies uitbrengen op grond van de stukken in het aan partijen bekende dossier.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Gelet op de ingediende bezwaargronden ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 en 2007 t/m 2010 af te wijzen.

Onvoldoende rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden

Belanghebbende heeft aangevoerd dat UHT bij het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke situatie en gezinssituatie.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende met de persoonlijk zaakbehandelaar een gesprek heeft gevoerd om haar situatie van destijds toe te lichten.
De persoonlijk zaakbehandelaar heeft van dit gesprek een verslag gemaakt. Belanghebbende heeft dit verslag per e-mail aangevuld. Uit het informatie- en beoordelingsformulier blijkt genoegzaam dat UHT de verklaring van belanghebbende heeft meegewogen bij de beoordeling. De Commissie ziet daarom geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Afgewezen compensatie over de toeslagjaren 2005 en 2007 t/m 2010

Vooringenomen handelen
De Commissie heeft in de stukken van het dossier geen aanknopingspunten gevonden dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de jaren 2005 en 2007 t/m 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld.

2005
De KOT voor het jaar 2005 is één keer verlaagd van € 3.773 naar € 3.762.
De Commissie is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat dit het gevolg was van een verhoging van het toetsingsinkomen.

2007
B/T heeft belanghebbende bij brief van 17 juli 2009 gevraagd om informatie aan te leveren over de afgenomen opvang in 2007. Belanghebbende heeft op deze brief gereageerd met de mededeling dat zij geen formulieren had over deze periode.
Bij brief van 18 maart 2011 heeft B/T wederom om informatie verzocht.
Een reactie van belanghebbende is niet teruggevonden. B/T heeft de KOT vervolgens bij beschikking van 11 mei 2011 op nihil gesteld. De Commissie is van opvatting dat UHT onder deze omstandigheden terecht heeft aangenomen dat B/T belanghebbende voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken. Bovendien volgt uit de brief van kinderopvanginstelling [naam], ontvangen door B/T op 7 mei 2007, dat bij die instelling geen opvang is genoten na maart 2006 (productie 1206006). Het is daarom niet aannemelijk dat B/T vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende.
De algemene, verder niet onderbouwde, stelling van belanghebbende dat de problemen mede zijn ontstaan doordat [naam kinderopvanginstelling] niet de nodige gegevens heeft verstrekt, leidt de Commissie, gelet op bovengenoemde brief van [naam kinderopvanginstelling], niet tot een ander oordeel.

2008 t/m 2010
De KOT over de jaren 2008, 2009 en 2010 is volledig teruggevorderd. Belanghebbende heeft bij antwoordformulieren van respectievelijk 22 oktober 2009 (productie 84), 26 augustus 2010 (productie 94) en 11 juli 2011 (productie 105) aangekruist dat zij in die jaren geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. De Commissie overweegt dat B/T mocht uitgaan van de juistheid en compleetheid van de verklaring in deze antwoordformulieren, die door belanghebbende ondertekend zijn. Dat B/T geen nadere uitvraag heeft gedaan alvorens zij de KOT op nihil beschikte getuigt niet van vooringenomen handelen. Bovendien is in het geval van belanghebbende niet gebleken dat zij destijds andersluidende verklaringen heeft gedaan of dat B/T andere informatie voor handen had.
Dat belanghebbende thans stelt dat zij in deze jaren wel opvang heeft afgenomen kan, temeer nu er geen stukken zijn overgelegd die die stelling onderbouwen, niet tot een andere conclusie leiden over het handelen van B/T destijds.

Hardheid
De Commissie ziet in de hierboven besproken bijstellingen van de KOT ook geen aanleiding om hardheid bij de uitvoering te constateren. De KOT is vanaf het jaar 2005 tot en met maart 2007 aan kinderopvanginstelling [naam] uitbetaald (producties 2700101, 2700102 en 2700103). [Naam kinderopvanginstelling] stelt in haar brief (productie 1206006) voor dat zij de KOI te veel ontvangen KOT aan belanghebbende zal overmaken na verrekening van de openstaande kosten.
Er is daarom geen reden om aan te nemen dat belanghebbende KOT heeft moeten terugbetalen die niet aan haar ten goede is gekomen.

Belanghebbende heeft in algemene zin aangevoerd dat zij de vaststelling van UHT dat sprake was van een fiscaal partner niet kan plaatsen. De Commissie gaat voorbij aan deze stelling nu een nadere onderbouwing hiervan ontbreekt.

Belanghebbende komt gelet op het vorenstaande voor de jaren 2005 en 2007 t/m 2010 niet aanmerking voor compensatie op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht.

O/GS-kwalificaties 2007, 2009 en 2010
Uit het dossier volgt dat belanghebbende indertijd heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling ten aanzien van haar schuld van de KOT 2007, 2009 en 2010. Deze verzoeken zijn bij besluiten van 4 november 2012 (productie 0800003) en 11 juli 2014 afgewezen omdat naar het oordeel van B/T sprake was van opzet/grove schuld (O/GS). Belanghebbende heeft tegen het besluit van 11 juli 2014 een bezwaarschrift ingediend, dat op 21 juli 2014 is ingekomen bij B/T.
Dit bezwaar is op 27 augustus 2014 ongegrond verklaard (productie 0800004).

UHT heeft zich op standpunt gesteld dat de O/GS-kwalificaties terecht waren en dat belanghebbende daarom niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming over de jaren 2007, 2009, 2010.

De Commissie leest in de beslissing op bezwaar van 27 augustus 2014 dat belanghebbende de O/GS-kwalificatie voor toeslagjaar 2007 heeft gekregen omdat zij onvoldoende heeft gereageerd op het verzoek om bewijsstukken over dat jaar in te sturen. Voor toeslagjaar 2009 en 2010 heeft belanghebbende de O/GS-kwalificatie gekregen omdat zij de KOT heeft laten doorlopen zonder dat zij opvang afnam. Onder verwijzing naar wat de Commissie hierboven over deze jaren al heeft overwogen, ziet zij geen aanleiding om te oordelen dat deze kwalificaties in dit geval ten onrechte zijn gegeven.

De Commissie volgt UHT daarom in haar standpunt dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie over de jaren 2007, 2009 en 2010. Dit betekent dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 lid 1 van de Wht.

Gewijzigd standpunt UHT over compensatie toeslagjaar 2006
In afwijking van het bestreden besluit heeft UHT in bezwaar het standpunt ingenomen dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie over toeslagjaar 2006 op de grond van het feit dat, anders dan UHT heeft aangenomen in het primaire besluit, geen sprake is geweest van vooringenomenheid.

De Commissie is van oordeel dat UHT aan haar gewijzigde standpunt, wat daar ook van zij, in de beslissing op bezwaar geen gevolgen mag verbinden. Dat zou immers in strijd zijn met het verbod van reformatio in peius: het indienen van het bezwaarschrift mag er niet toe leiden dat belanghebbende in een slechtere positie geraakt dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn. De Commissie adviseert UHT daarom om de toegekende compensatie voor vooringenomen handelen voor het toeslagjaar 2006 in stand te laten.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om de toegekende compensatie over toeslagjaar 2006 in stand te laten.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter