Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15716

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 november 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 9 december 2025

Overdracht advies aan UHT: 23 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 november 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

  • dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2015 tot en met 2018 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 maart 2021 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot 2017. Nadien is het verzoek uitgebreid met het jaar 2018.
  • Bij brief van 3 maart 2022 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, vooralsnog geen recht heeft op een betaling van € 30.000.
  • Op 12 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 7 november 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2018 geen herstelregeling van toepassing is.
  • Bij brief van 16 november 2023 heeft UHT het bestreden besluit genomen.
  • Bij brief van 15 maart 2024 heeft gemachtigde tegen het (voorgenomen) besluit bezwaar gemaakt.
  • Op 8 december 2025 heeft gemachtigde aanvullende stukken en gronden van bezwaar ingediend.
  • Op 9 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Op 11 december 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Op 16 januari 2026 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Herbeoordeelde toeslagjaren

De KOT voor 2015, 2017 en 2018 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van door belanghebbende zelf aangeleverde informatie. Uit die informatie volgt dat in deze jaren minder kinderopvanguren zijn afgenomen en dat de opvangperiode korter was dan waarop de voorschotbeschikkingen waren gebaseerd. Ook is sprake van een wijziging van het toetsingsinkomen en heeft belanghebbende haar KOT twee keer stopgezet. De LIC-overzichten en de andere stukken uit het dossier die UHT heeft aangeleverd geven de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat deze onjuist zijn.

Dat in de bezwaarprocedure uiteindelijk aannemelijk is gemaakt dat ook in januari 2015 opvang is afgenomen doet hier gezien de bevoegdheden die zijn gegeven in de Wht niet aan af. Het antwoordformulier dat belanghebbende destijds heeft ingediend ter controle van het recht op KOT was namelijk alleen voorzien van stukken waaruit bleek dat er opvang was afgenomen in de maanden april, mei en juni 2015.

Belastingdienst/Toeslagen heeft daarom op 26 mei 2017 conform de toen bekende gegevens mogen beschikken. In deze bezwaarprocedure ligt de vraag voor of B/T destijds op de juiste wijze heeft gehandeld. De Belastingdienst/Toeslagen kan niet worden aangerekend dat hij onvoldoende heeft uitgevraagd nu belanghebbende destijds onvolledige gegevens heeft overgelegd en niets heeft vermeld over kinderopvang in januari 2015. Hoewel de Commissie begrijpt dat belanghebbende mogelijk recht had op KOT in januari 2015, kan zij gezien het voorgaande deze maand niet betrekken bij het oordeel of belanghebbende recht heeft op compensatie.

Met betrekking tot toeslagjaar 2016 hebben er geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. Compensatie is in dat geval in beginsel niet aan de orde.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan komen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de KOT voor belanghebbende niet makkelijk zal zijn geweest, maar haar situatie houdt uiteindelijk geen verband met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen.

Proceskostenvergoeding

Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter