Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15705

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 oktober 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 3 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 7.293,- voor de jaren 2010 en 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 t/m 2019. UHT heeft de herbeoordeling beperkt tot de jaren waarin KOT is aangevraagd, te weten 2009 t/m 2011.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 7.293,- voor de jaren 2010 en 2011 vanwege een onterechte kwalificatie “opzet of grove schuld”, hierna aangeduid als O/GS.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 november 2024, ingekomen op 18 november 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 16 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 5 februari 2026 meegedeeld dat belanghebbende afziet van een hoorzitting in het kader van het bezwaarschrift. Daarbij heeft gemachtigde verzocht om een nadere schriftelijke ronde en meegedeeld dat de daarvoor gestelde termijn van 5 maart 2026 niet haalbaar was. Gemachtigde zou vervolgens nader contact opnemen om een nieuwe termijn af te stemmen. Dat is echter uitgebleven.
  • Op 25 maart 2026 heeft de Commissie gemachtigde een nadere termijn van één week gegund. Vervolgens heeft gemachtigde op 30 maart 2026 en 8 april 2026 aanvullingen op het bezwaarschrift, met bijbehorende producties, ingediend.
  • Op 13 mei 2026 heeft de Commissie UHT tot 20 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om op de aanvullingen op het bezwaarschrift te reageren. UHT heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt, waarna de Commissie tot advisering is overgegaan.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009 t/m 2011 af te wijzen.

Dossier/verzoek om O/GS-documenten

De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken niet allen zijn verstrekt. Daarmee is niet voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Met betrekking tot het verzoek om de documenten met betrekking tot het O/GS-onderzoek overweegt de Commissie als volgt. In de lijn van de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Kamerstukken II, 2025-2026, 36 708, nr. 68) adviseert de Commissie UHT standaard en actief inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Het zijn immers op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 7:4 lid 2 Awb. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.

De onderliggende stukken betreffende de O/GS-kwalificatie ontbreken in dit geval.

De Commissie adviseert UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan het O/GS-onderzoek en om haar de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu zo’n eventuele strijdigheid niet leidt tot het herroepen van dat besluit. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Afgewezen toeslagjaren (2009, 2010 en 2011)

Bij het bestreden besluit heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel, en dat zij voor toeslagjaar 2009 geen recht heeft op een tegemoetkoming vanwege een O/GS-kwalificatie

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over deze jaren institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft plaatsgevonden.

Evident bestond geen recht op KOT, omdat niet is gebleken dat in de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 gekwalificeerde opvang heeft plaatsgevonden. Reeds daarom bestaat geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen. Daarnaast behoorde belanghebbende niet tot de doelgroep van de KOT. Belanghebbende heeft namelijk verklaard dat zij van 2001 t/m 30 oktober 2015 een ANW-uitkering ontving en vanaf 2010 vrijwilligerswerk verrichtte. Vrijwilligerswerk kwalificeert niet als arbeid in de zin van de Wet kinderopvang, tenzij voldaan wordt aan strenge voorwaarden. De Commissie heeft hiervoor geen aanknopingspunten in het dossier kunnen vinden.

Hoewel in de toeslagjaren 2010 en 2011 verlagingen van € 1.500,- of meer hebben plaatsgevonden, deden zich geen bijzondere omstandigheden voor die compensatie wegens hardheid van het stelsel rechtvaardigen.

In de toeslagjaren 2010 en 2011 is een onterechte O/GS-kwalificatie vastgesteld. Voor het toeslagjaar 2009 is dat niet vastgesteld.

De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ouderverhaal

Uit het Informatie- en beoordelingsformulier volgt dat geen oudergesprek heeft plaatsgevonden. Belanghebbende was telefonisch niet bereikbaar op 20 maart, 21 maart, 26 maart, 10 juni en 13 juni 2024 en heeft niet gereageerd op de brief van 2 april 2024, waarin haar werd verzocht contact op te nemen met haar Persoonlijke zaakbehandelaar (hierna: PZB’er).

Op 16 juli 2024 heeft belanghebbende per e-mail meegedeeld dat het contact via haar gemachtigde kan verlopen. Op 18 juli 2024 heeft de gemachtigde de PZB’er verzocht de termijn voor het indienen van een zienswijze te verlengen en een oudergesprek in te plannen. Diezelfde dag heeft de PZB’er hiermee ingestemd.

Uit het dossier blijkt evenwel niet dat een zienswijze is ingediend, noch dat een oudergesprek heeft plaatsgevonden. Daarnaast verdient vermelding dat belanghebbende ervoor heeft gekozen om niet door de Commissie te worden gehoord.

Bij de besluitvorming en de advisering kon door deze omstandigheden aan de kant van belanghebbende geen acht worden geslagen op het ouderverhaal. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Werkelijk geleden schade

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren compensatie is verleend en voor andere jaren niet. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.”

(Kamerstukken II, 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – en in dit geval ook niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid of hardheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal hardheid of bijzondere omstandigheden zijn vastgesteld, acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Heroverweging door UHT

Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT het bestreden besluit heroverwogen. Uit de beschouwing van UHT volgt dat deze heroverweging er niet toe leidt dat de compensatieberekening moet worden aangepast. De Commissie overweegt dat de conclusies van UHT, die door belanghebbende niet meer inhoudelijk bestreden zijn, navolgbaar zijn en steun vinden in het dossier. De Commissie ziet geen grond voor afwijking daarvan en adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, zowel op zichzelf als in onderling verband bezien, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten

Het bezwaar is naar de opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter