BAC 2025-15695
Publicatiedatum 06-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 september 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: NVT
Overdracht advies aan UHT: 7 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 2.640 voor de maanden januari tot en met september 2007. Dit bedrag is in het kader van de Catshuisregeling tot een bedrag van € 30.000 aangevuld. Voor het toeslagjaar 2006, de maanden oktober tot en met december 2007 en de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 september 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 tot en met 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 1 december 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 19 augustus 2024 met kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 2.636. Dit bedrag is in het kader van de Catshuisregeling tot een bedrag van € 30.000 aangevuld.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO van
17 september 2024 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 2.640 voor de maanden januari tot en met september 2007 en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2006, de maanden oktober tot en met december 2007 en de toeslagjaren 2008 tot en met 2013. - Gemachtigde heeft bij brief van 2 oktober 2024, ingekomen op 2 oktober 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 19 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij e-mailbericht van 23 september 2025 het bezwaar aangevuld.
- Gemachtigde heeft de Commissie op 10 oktober 2025 geïnformeerd dat belanghebbende en hij niet zullen verschijnen bij de hoorzitting die op
13 oktober 2025 zou plaatsvinden. - UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 27 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 28 oktober 2025 daarop gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden oktober tot en met december 2007 en het toeslagjaar 2008 af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van de bestreden beschikking, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2007 en 2008
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). In de toeslagjaren 2007 en 2008 is sprake van vooringenomen handelen, omdat de KOT op nihil is beschikt zonder dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn recht op KOT aan te kunnen tonen. Belanghebbende voert daarnaast aan dat hij de KOT in het toeslagjaar 2008 niet zelf heeft stopgezet.
Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de maanden oktober tot en met december 2007 en de maanden januari tot en met september 2008, nu belanghebbende in deze periode geen gebruik heeft gemaakt van gekwalificeerde kinderopvang. Uit de stukken die belanghebbende in bezwaar tegen de beschikking van de KOT over het toeslagjaar 2007 heeft overgelegd, volgt dat hij in 2007 alleen in de maanden januari tot en met september kinderopvang heeft afgenomen. Uit de door belanghebbende overgelegde jaaropgave van het toeslagjaar 2008 volgt dat hij geen kinderopvang heeft afgenomen in de maanden voorafgaand aan de nihilbeschikking, maar alleen in de maanden oktober tot en met december van dit jaar. Voor deze maanden is destijds KOT toegekend en heeft geen terugvordering plaatsgevonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat belanghebbende in de maanden oktober tot en met december 2007 en januari tot en met september 2008 wel gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen.
Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de maanden oktober tot en met december 2007 en het toeslagjaar 2008 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:
de bestreden beschikking in stand te laten;
geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter