Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15679

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 oktober 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 3 november 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 17 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de toenmalige gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 1.885 voor de maanden januari tot en met augustus 2006 en geen compensatie toegekend voor de maanden september tot en met december 2006. Belanghebbende heeft in het kader van de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 ontvangen.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 25 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006, 2007 en 2008. UHT heeft een herbeoordeling over het toeslagjaar 2006 uitgevoerd, omdat in de toeslagjaren 2007 en 2008 geen sprake was van KOT.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 mei 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende meegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat belanghebbende in het toeslagjaar 2006 vooringenomen is behandeld, maar dat hij voor de maanden september tot en met december 2006 niet voor een compensatieregeling in aanmerking komt, omdat er geen aanwijzingen zijn dat in deze maanden gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 1.885 voor de maanden januari tot en met augustus 2006 en geen compensatie toegekend voor de maanden september tot en met december 2006.
  • De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 8 november 2023, ingekomen op 8 november 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 24 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Belanghebbende heeft bij e-mailberichten van 19 oktober 2025 en 21 oktober 2025 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 28 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 3 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikking

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden september tot en met december 2006 af te wijzen.

September tot en met december 2006

Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de B/T). Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de maanden september tot en met december 2006, nu belanghebbende in deze periode geen gebruik heeft gemaakt van gekwalificeerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt betwist. Uit de destijds door belanghebbende overgelegde jaaropgave volgt dat hij alleen in de maanden januari tot en met augustus 2006 kinderopvang heeft afgenomen. Uit de door belanghebbende overgelegde contacthistorie met de gemeente Amsterdam volgt niet dat het gehele jaar werkelijk kinderopvang is afgenomen. De Commissie heeft daarom onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat het aannemelijk is dat belanghebbende in de maanden september tot en met december 2006 wel gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de maanden september tot en met december 2006 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom het toeslagjaar 2007 niet is herbeoordeeld. In zijn ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over dit toeslagjaar sprake was van KOT. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de B/T een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende zag op de toeslagjaren 2006, 2007 en 2008. De persoonlijk zaakbehandelaar heeft het verzoek toegespitst op het toeslagjaar 2006, omdat raadpleging van de systemen tot de conclusie leidde dat alleen in dit jaar sprake was van een aanvraag voor KOT. Hoewel de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepaalt en die niet ziet op het toeslagjaar 2007, geeft het verhandelde ter zitting de Commissie aanleiding zich toch over dit jaar uit te spreken. De Commissie kan zich vinden in het standpunt van UHT dat belanghebbende voor dit jaar niet in aanmerking komt voor compensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de veronderstelling dat belanghebbende in dit jaar kinderopvang heeft afgenomen. Daarnaast heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat voor dit jaar KOT aan belanghebbende is toegekend, uitbetaald of bij hem is teruggevorderd.

Compensatieberekening januari tot en met augustus 2006

De Commissie constateert dat component o, de rentevergoeding over de gemiste KOT, onjuist is berekend. Bij het gebruik van de juiste start- en einddatum komt deze vergoeding uit op een bedrag van € 645 in plaats van € 644. Door de onjuiste berekening dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. Omdat de vergoeding voor immateriële schade op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht niet hoger mag zijn dan het bedrag onder component e, en dit bedrag reeds volledig is toegekend, zal dit niet leiden tot een verhoging van deze vergoeding. De aanpassing van de rentevergoeding over de gemiste KOT zal ook niet leiden tot een verhoging van de aanvullende vergoeding van 1%. De Commissie ziet hierin daarom geen aanleiding te adviseren de bestreden beschikking te herroepen, omdat het om een dusdanig klein bedrag gaat (slechts een verschil van € 1), de aanpassing geen effect heeft op de andere componenten en het toegekende compensatiebedrag van € 1.885 reeds tot een bedrag van € 30.000 is aangevuld.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:

  • de bestreden beschikking in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter