BAC 2025-15678
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 november 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 29 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen, alsnog een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen over toeslagjaar 2018 en het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 6 november 2023 (UHT-DCH).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 48.063,- voor de jaren 2009 tot en met 2013 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 en 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met belanghebbende heeft UHT de jaren 2008 tot en met 2013 en het jaar 2017 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2008 en 2017 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 47.315,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit van 6 november 2023 met kenmerk UHT-DCH (bestreden besluit) aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 48.063,- voor de jaren 2009 tot en met 2013 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 en 2017.
- De gemachtigde heeft bij brief van 1 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 10 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- De gemachtigde heeft op 25 augustus 2025 verzocht toeslagjaar 2018 in de beoordeling te betrekken.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 oktober 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 28 oktober 2025 nadere stukken ingediend met betrekking tot toeslagjaar 2018.
- Op 29 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- De Commissie heeft UHT op 29 oktober 2025 verzocht nadere stukken te overleggen en een standpunt in te nemen over een O/GS-tegemoetkoming voor toeslagjaar 2018.
- UHT heeft, ook na verlenging van de reactietermijn, niet op dit verzoek gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2013 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belang-hebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2008 en 2017 af te wijzen. Daarnaast zal de Commissie, naar aanleiding van de door UHT nader ingediende stukken en op verzoek van belanghebbende, een advies uitbrengen over toeslagjaar 2018.
Compensatieberekening
Belanghebbende heeft de juistheid van de compensatieberekening betwist. UHT heeft in haar beschouwing erkend dat en toegelicht waarom de bedragen in de compensatieberekening niet kloppen.
Bij toeslagjaar 2013 is bij component i (betaalde invorderingskosten en -rente) ten onrechte een bedrag van € 641,- vermeld in plaats van € 686,-. Daarnaast zijn de rente over gemiste KOT (component o) en de immateriële schade (component n) over toeslagjaren 2009 tot en met 2013 onjuist vastgesteld. UHT heeft in de beschouwing de juiste bedragen vermeld en toegezegd dat de bedragen bij de beslissing op bezwaar zullen worden aangepast. Dit geldt ook voor de aanvullende vergoeding van 1% (component p). Het bedrag onder component q (eerder ontvangen bedrag) zal worden aangepast naar € 48.063.
De Commissie adviseert UHT de toezeggingen bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en adviseert het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2017
Belanghebbende heeft gevraagd om compensatie over toeslagjaar 2017.
Vast staat dat de KOT in 2017 niet is verlaagd en dat geen terugvordering heeft plaatsgevonden. Wel heeft verrekening van de toegekende KOT plaatsgevonden. De Commissie onderkent dat belanghebbende als gevolg daarvan grote problemen heeft ondervonden. Belanghebbende heeft haar opleiding moeten afbreken omdat zij, als gevolg van de verrekening van de KOT, niet langer in staat was kinderopvang af te nemen.
Als geen sprake is van terugvordering, bestaat er echter geen recht op compensatie. Belanghebbende kan mogelijk wel een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade indienen bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). De bezwaarschriftprocedure over integrale beoordelingsbesluiten heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij CWS bestemd.
Verzoek om herbeoordeling toeslagjaar 2018
Belanghebbende heeft op 25 augustus 2025 een verzoek ingediend tot herbeoordeling van toeslagjaar 2018. UHT heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en op 28 oktober 2025 nadere stukken ingediend met betrekking tot dit jaar. Tijdens de hoorzitting heeft UHT de toezegging gedaan dat de herbeoordeling van 2018 in het besluit op bezwaar wordt neergelegd. De Commissie kan zich daarin vinden.
UHT heeft zich, zoals blijkt uit de op 28 oktober 2025 ingediende stukken, op het standpunt gesteld dat over 2018 geen recht op een herstelregeling bestaat.
Belanghebbende is het hier niet mee eens en stelt dat B/T niet heeft gereageerd op haar verzoek om een persoonlijke betalingsregeling en dat zij daarom in aanmerking komt voor een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) tegemoetkoming.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende op 20 maart 2018 heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling en dat B/T niet heeft gereageerd op dat verzoek. In 2018 is B/T wel intern overgegaan tot herstel van de verrekeningen van de KOT 2012 (productie 2700103). Dit heeft echter niet geleid tot een uitbetaling aan belanghebbende en kan ook niet worden gezien als een reactie op haar verzoek om een persoonlijke betalingsregeling.
Vaststaat dat er geen O/GS-kwalificatie is geweest. Desondanks adviseert de Commissie UHT in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor het jaar 2018. De Commissie overweegt daartoe dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen is immers geen persoonlijke betalingsregeling toegekend door B/T, met grote gevolgen voor belanghebbende. Zo zijn als gevolg van het uitblijven van de uitbetaling van de KOT nieuwe schulden ontstaan en is een minnelijk schuldhulpverleningstraject bij de gemeente spaak gelopen.
Ook heeft belanghebbende haar kinderen van de opvang moeten halen, omdat zij de kosten niet langer kon voldoen en heeft zij haar opleiding moeten staken.
Dat het O/GS-label ontbreekt, kan naar het oordeel van de Commissie, gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een tegemoetkoming conform artikel 2.6, Wht voor het jaar 2018 moet toekennen.
Volledigheidshalve verzoekt de Commissie UHT om het ontbrekende LIC-overzicht 2018 en de stukken die ten grondslag liggen aan de conclusie dat in 2018 geen sprake is van opzet/grove schuld alsnog bij de beslissing op bezwaar te overleggen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. Dit betoog treft derhalve geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaarschrift naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de bestreden beschikking te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (één bezwaarschrift en één hoorzitting). De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- component i over toeslagjaar 2013 aan te passen naar een bedrag van € 686,-;
- de vergoeding van immateriële schade te berekenen vanaf 24 december 2010 tot en met de datum van het besluit op bezwaar;
- de rentevergoeding voor gemiste KOT aan te passen conform de beschouwing van 10 april 2025;
- de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- alsnog een tegemoetkoming conform artikel 2.6, Wht voor het jaar 2018 toe te kennen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter