BAC 2025-15677
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 oktober 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 19 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 2 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 43.749 voor de jaren 2007, 2008 en 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, 2009 en 2011 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 7 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 en 2017. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit verzoek aangepast naar de jaren 2005 tot en met 2019.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2005, 2006, 2009 en 2011 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 23 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 43.749 voor de jaren 2007, 2008 en 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, 2009 en 2011 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 oktober 2023, ingekomen op 19 oktober 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 maart 2025, ingekomen op 25 maart 2025, het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 23 juni 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 19 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 16 februari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2007, 2008 en 2010 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005, 2006, 2009 en 2011 tot en met 2019 af te wijzen.
Dossier
Belanghebbende verzoekt om toezending van het dossier. De Commissie overweegt het volgende. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2005
Belanghebbende betoogt ten aanzien van toeslagjaar 2005 dat uit het dossier blijkt dat de aanvraag KOT op 27 november 2007 op € 0 wordt gezet wegens niet reageren. Nu het bedrag van € 10.774 hierdoor zal zijn teruggevorderd en het bedrag aan de KOI werd overgemaakt, is er sprake van vooringenomenheid dan wel hardheid, aldus belanghebbende.
UHT stelt in haar aanvullende beschouwing van 9 februari 2026 dat de KOT niet neerwaarts is gecorrigeerd, en dat er geen terugvordering heeft plaatsgevonden, waardoor er geen sprake is van schade in de zin van art. 2.1 Wht die gecompenseerd kan worden.
De Commissie overweegt dat er op 31 januari 2005 een voorschotbeschikking is afgegeven met een bedrag van € 10.774. Er is geen definitieve beschikking genomen. Het is de Commissie bekend dat in zaken over KOT weinig informatie te vinden is over het jaar 2005. Dit moet er niet toe leiden dat een ouder ten onrechte compensatie wordt onthouden.
Uit het dossier volgt dat belanghebbende op verschillende brieven van B/T heeft gereageerd, waarbij zij informatie aanleverde over toeslagjaar 2005. Op 27 november 2007 is er niettemin intern een aantekening gemaakt door B/T, waarin staat: ‘deze aanvraag op € 0 gezet wegens niet reageren (WKO-beschikking, p. 274 van het ouderdossier).’ In het licht van de hiervoor vermelde aanlevering van informatie is die actie onbegrijpelijk en onterecht en daarmee vooringenomen. Naar het oordeel van de Commissie is op grond van deze aantekening, waarvan de formulering niets aan duidelijkheid te wensen overlaat, aannemelijk dat KOT werd teruggevorderd als gevolg van vooringenomen handelen. De enkele omstandigheid dat uit het LIC-overzicht niet blijkt dat een bedrag van € 10.774 bij belanghebbende is teruggevorderd, acht de Commissie niet voldoende voor een ander oordeel. Uitgaande van de juistheid van dat overzicht, blijft immers de mogelijkheid open dat belanghebbende de nihilstelling werd aangezegd, maar uiteindelijk niet tot daadwerkelijke invordering werd overgegaan. In dat geval is echter eveneens sprake van vooringenomen handelen zijdens B/T waarvoor compensatie is geboden, omdat de enkele aankondiging van een zo hoge terugvordering bij belanghebbende veel stress moet hebben veroorzaakt, hetgeen als immateriële schade kan worden aangemerkt. De Commissie merkt bij het vorenoverwogene nog op dat belanghebbende en haar partner tijdens de hoorzitting hebben verklaard dat er tijdens de herbeoordeling vanuit UHT een mondelinge toezegging is gedaan dat er recht bestaat op compensatie voor het toeslagjaar 2005, omdat er fouten zijn gemaakt. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en voor het toeslagjaar 2005 alsnog compensatie toe te kennen.
Toeslagjaren 2012 tot en met 2015
B/T is bij de vaststelling van de door belanghebbende gewerkte uren uitgegaan van de informatie in de UWV-viewer. Niet is gebleken dat B/T heeft onderzocht of belanghebbende daarnaast nog recht had op KOT uit hoofde van doelgroeperschap. De Commissie is van oordeel dat B/T vooringenomen handelde door haar toekenning van KOT louter te baseren op gegevens in de UWV-viewer zonder uitvraag te doen bij belanghebbende. UHT erkent dit ook, maar is van opvatting dat achteraf is gebleken dat de informatie in de UWV-viewer juist is en dat belanghebbende geen schade heeft geleden door het vooringenomen handelen van B/T. De Commissie is van oordeel dat UHT niet aan de hand van bewijsstukken of verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat het aantal gewerkte uren dat aan de hand van de informatie in de UWV-viewer werd vastgesteld juist is. Daarmee blijft de vooringenomenheid van de urenvaststelling zonder voorafgaande uitvraag intact. Omdat de juistheid van het aan de UWV-viewer ontleende aantal gewerkte uren niet kan worden vastgesteld, kan niet worden uitgesloten dat belanghebbende schade heeft geleden door het vooringenomen handelen van B/T. Het bezwaar is op dit punt gegrond.
Voorshands adviseert de Commissie dan ook om aan belanghebbende compensatie toe te kennen voor de jaren 2012 tot en met 2015.
Toeslagjaren 2006, 2009, 2011 en 2016 tot en met 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2006, 2009, 2011 en 2016 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over de genoemde toeslagjaren waren gebaseerd op reguliere wijzigingen. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Zij geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie ziet geen aanleiding om te adviseren dat B/T in deze jaren jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte aanname dat zij opzettelijk of grofschuldig KOT heeft ontvangen waarop zij geen recht had, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding (de zogenaamde tegemoetkoming O/GS). De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatie
De Commissie constateert dat UHT de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2010 opnieuw heeft uitgevoerd in de beschouwing van 23 juni 2025. Uitkomst daarvan is onder meer dat onderdeel o (toeslagrente) onjuist is berekend. Nu dit in het voordeel van belanghebbende is, wordt dit niet aangepast. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.
De Commissie stelt wel vast dat er een aantal (type)fouten staan in de compensatieberekening behorende bij de beschouwing van 23 juni 2025.
- Toeslagjaar 2008, onderdeel f: dit bedrag dient € 12 te bedragen, zoals ook is vastgesteld in de definitieve beschikking.
- Toeslagjaar 2010, onderdeel f: dit bedrag dient € 0 te bedragen, zoals ook is vastgesteld in de definitieve beschikking.
- Toeslagjaar 2008, onderdeel i: dit bedrag dient blijkens het LIC-overzicht € 0 te bedragen, zoals ook is vastgesteld in de definitieve beschikking.
Daarnaast overweegt de Commissie dat een interne notitie ofwel ‘behandelstap’ in het RKT-bestand met een beslissing tot stopzetting of verlaging van de KOT volgens vast beleid van UHT als startdatum dient te worden genomen bij de berekening van de immateriële schadevergoeding. Dit betekent dat de startdatum van de immateriële schadevergoeding in de compensatieberekening onjuist is. De startdatum moet 15 oktober 2009 zijn, zoals ook is vastgesteld in de definitieve beschikking. Aangezien de Commissie echter adviseert om vooringenomenheid aan te nemen voor toeslagjaar 2005, zal ook de startdatum van de immateriële schadevergoeding dienen te worden gewijzigd naar een eerdere datum dan 15 oktober 2009.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en de bedragen correct in de compensatieberekening te zetten bij de beslissing op bezwaar. Daarnaast adviseert de Commissie om de vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n) te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar en ook de aanvullende vergoeding van 1% (onderdeel p) hierop aan te passen.
Proceskosten
Nu de bestreden beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 23 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de bestreden beschikking te herroepen;
- compensatie aan belanghebbende toe te kennen voor de toeslagjaren 2005 en 2012 tot en met 2025 wegens vooringenomen handelen;
- de (type)fouten in de compensatieberekening te corrigeren voor de onderdelen f (2008 en 2010) en i (2008);
- de startdatum van de immateriële schadevergoeding (onderdeel n) te wijzigen naar een eerdere datum dan 15 oktober 2009 en de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar;
- de aanvullende vergoeding van 1% (onderdeel p) hierop aan te passen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter