Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15662

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Hoorzitting: 11 november 2025

Overdracht advies aan UHT: 21 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 19 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over 2013 en 2014. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is het verzoek beperkt tot 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 16 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
  • UHT heeft met de voorlopige beslissing integrale beoordeling kinderopvangtoeslag van 25 januari 2024 aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat nog geen recht bestaat op compensatie op grond van de herstelregelingen.
  • UHT heeft met de beschikking van 19 februari 2024 (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 maart 2024 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 11 november 2025 heeft de gemachtigde per e-mail om 10:28 uur de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen en dat wordt afgezien van de geplande hoorzitting van 11:00 uur. Aangezien UHT niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van deze mededeling was de vertegenwoordiger van UHT wel op de hoorzitting verschenen. De Commissie heeft de zitting, zonder belanghebbende en/of diens gemachtigde laten doorgaan. Het verslag van de zitting is als bijlage bij dit advies opgenomen.
  • De Commissie heeft op 12 november 2025 een nadere vraagstelling aan UHT voorgelegd.
  • Op 6 januari 2026 heeft de Commissie de aanvullende beschouwing van 17 november 2025 van UHT ontvangen. Gemachtigde heeft hierop niet meer gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor toeslagjaar 2013 af te wijzen.

Verzoek om persoonlijk dossier en recht op een eerlijk proces op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM)

Belanghebbende stelt dat het dossier dat hij heeft ontvangen onvolledig is. Hij verzoekt om toezending van het volledige persoonlijke dossier, waaronder de definitieve berekening, betaal- en verrekenoverzichten, de tijdlijn, het informatie- en beoordelingsformulier en de berekening van de component rentevergoeding over gemiste KOT. Volgens belanghebbende is deze informatie noodzakelijk om het besluit te kunnen controleren en wordt hij in zijn procespositie geschaad omdat hij niet beschikt over het persoonlijke dossier. Belanghebbende stelt dat hij geen gelijke positie heeft in de procedure, omdat hij niet over dezelfde informatie beschikt als UHT. Dit zou volgens hem een schending zijn van het beginsel van equality of arms, dat voortvloeit uit artikel 6 EVRM. Hij acht het onredelijk dat zonder volledig inzicht in zijn dossier het bezwaar moet worden beargumenteerd.

UHT wijst erop dat op 6 augustus 2024 het ouderdossier is verstrekt, waarin alle relevante stukken voor deze bezwaarprocedure zijn opgenomen. UHT heeft met de aanvullende beschouwing van 17 november 2025 het ouderdossier aangevuld met de productienummers 2700007 tot en met 2700011. Volgens UHT is daarmee voldaan aan artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 5.2, lid 2, van de Wht. UHT acht het verstrekken van het volledige persoonlijke dossier niet noodzakelijk. Verwezen wordt naar jurisprudentie (Rb Gelderland, 13 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3940) waarin is overwogen dat alleen de op de zaak betrekking hebbende stukken hoeven te worden overgelegd. Aanvullend zijn enkele specifieke producties meegestuurd.

UHT stelt dat het beginsel van equality of arms niet van toepassing is in de fase van bestuurlijke besluitvorming. Artikel 6 EVRM ziet op gerechtelijke procedures, niet op besluiten van bestuursorganen. Bovendien heeft belanghebbende volgens UHT inmiddels alle op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen, inclusief aanvullende producties. UHT is daarom van mening dat aan de informatieverplichtingen is voldaan.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 6:17 van de Awb het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen, gehouden is om de op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen aan de gemachtigde van belanghebbende.

UHT heeft in de beschouwing toegelicht dat de gemachtigde op 6 augustus 2024 in het bezit is gesteld van het ouderdossier, waaronder het informatie- en beoordelingsformulier. In aansluiting daarop stelt de Commissie vast dat de gemachtigde op 23 juli 2025 in het bezit is gesteld van het ouderdossier en de beschouwing van UHT van 17 maart 2025. Bij de beschouwing is het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) over 2013 bijgevoegd. Doordat geen compensatie wordt verstrekt, bevindt zich onder deze stukken geen berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT.

De Commissie stelt verder vast dat naar aanleiding van een nadere vraagstelling aan UHT van 12 november 2025, UHT het ouderdossier heeft aangevuld met de productienummers 2700007 tot en met 2700011. UHT heeft met de aanvullende beschouwing van 17 november 2025 de noodzaak van opname van deze productienummers in het ouderdossier toegelicht. De Commissie heeft gemachtigde het aangevulde ouderdossier op 6 januari 2026 verstrekt.

Gemachtigde en belanghebbende zijn daarmee in het bezit gesteld van het volledige ouderdossier en daarmee van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.

De Commissie merkt verder op dat zij een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie is in de zin van artikel 7:13 van de Awb. De procedure bij de Commissie is onderworpen aan de processuele waarborgen zoals vastgelegd in de Awb. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb had belanghebbende voorafgaand aan de geplande hoorzitting van 11 november 2025 recht op inzage in en afschrift van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De nadien aan het ouderdossier toegevoegde stukken zijn eveneens aan gemachtigde verstrekt. Nu is vastgesteld dat deze stukken aan de gemachtigde zijn verstrekt en gelet op het feit dat de bezwaarprocedure op zorgvuldige wijze is verlopen en beide partijen de mogelijkheid is geboden om hun standpunt mondeling toe te lichten, is de Commissie van oordeel dat sprake is geweest van een gelijkwaardige behandeling van partijen.

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ontbrekende motivering van de beschikking

Belanghebbende voert aan dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Hij heeft geen duidelijkheid gekregen over de wijze waarop de beschikking tot stand is gekomen, waardoor het voor hem onmogelijk is de juistheid van het besluit te beoordelen. UHT erkent dat de bestreden beschikking beter gemotiveerd had moeten worden. Dit motiveringsgebrek wordt in de bezwaarprocedure hersteld met de uitgebreide beschouwingen van 17 maart 2025 en 17 november 2025. Op grond van artikel 7:12 van de Awb is het toegestaan om in bezwaar een aanvullende motivering te geven.

De Commissie stelt vast dat in bezwaar een nadere toelichting is gegeven door UHT, waaronder een uitgebreide beschouwing en het LIC-overzicht van 2013 van 17 maart 2025. Naar aanleiding van een nadere vraagstelling van de Commissie heeft UHT op 17 november 2025 een aanvullende beschouwing ingebracht. Gelet op de overgelegde producties in het aangevulde ouderdossier is de Commissie van oordeel dat op dit moment geen sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel, zoals door belanghebbende aangevoerd. Of ten tijde van de primaire besluitvorming wél sprake was van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel behoeft in dit geval geen nadere bespreking. De inhoudelijke aanvulling op de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking heeft naar het oordeel van de Commissie niet geleid tot gewijzigde inzichten die nopen tot herroeping van het besluit. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Reguliere bijstellingen van de KOT

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering van de KOT over dit jaar was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

Om tot de bovengenoemde conclusie te komen, heeft de Commissie op 12 november 2025 aan UHT de volgende vraag gesteld: waarom is B/T in de (voorschot)beschikkingen uitgegaan van 18 februari 2013 als ingangsdatum van de KOT, terwijl uit de KOI-viewer blijkt dat belanghebbende reeds vanaf 23 januari 2013 kinderopvang afnam?

In de aanvullende beschouwing van 17 november 2025 heeft UHT samengevat gesteld dat belanghebbende op 11 juni 2013 driemaal KOT heeft aangevraagd voor zijn kind bij kinderopvanginstelling [naam KOI 1], telkens met een verschillend aantal opvanguren en een andere ingangsdatum. De laatst doorgegeven wijziging (43 uur per maand met ingangsdatum 1 juni 2013) is verwerkt in de voorschotbeschikking van 9 juli 2013, waarin de hoogte is bepaald op € 1.622. B/T heeft op 21 augustus 2013 de KOT verhoogd naar € 2.810, nadat op verzoek het aantal opvanguren is aangepast naar 65 uur per maand en de ingangsdatum is gewijzigd naar 18 februari 2013. Deze ingangsdatum is vastgesteld op basis van informatie van [naam KOI 1].

Voor de periode van 23 januari 2013 tot en met 17 februari 2013 verbleef het kind van belanghebbende bij [naam KOI 2], waarvoor geen KOT is aangevraagd. In 2013 was het mogelijk om met terugwerkende kracht KOT aan te vragen met een maximale termijn van drie maanden. Doordat de aanvraag dateert van 11 juni 2013, was het toen niet meer mogelijk om met ingang van 23 januari 2013 KOT aan te vragen.

De Commissie meent dat UHT in de beschouwing van 17 november 2025 aannemelijk heeft toegelicht dat voor de aanvraag van KOT voor het kind, [naam], terecht is uitgegaan van 1 juni 2013. Dat is immers de laatste aanvraag van 11 juni 2013 van belanghebbende en het betreft geen wijzigingen die belanghebbende wenste door te geven. Door uit te gaan van deze laatste aanvraag kon ook worden overgegaan tot toekenning van KOT, omdat de aanvraag niet in strijd kwam met de beperkte terugwerkende kracht van drie maanden. De medewerker van B/T die op 29 juli 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met [naam KOI 1], heeft zich vervolgens niet beperkt, door alsnog uit te gaan van 18 februari 2013 met een omvang van 65 uur per maand in plaats van 43 uur per maand. De Commissie stelt vast dat belanghebbende door dit handelen van B/T niet tekort is gedaan en dat geen sprake is van vooringenomenheid. Immers, met terugwerkende kracht is over een langere periode een groter aantal uren aan KOT toegekend dan waarvan eerder werd uitgegaan.

De Commissie stelt op basis van de onderliggende stukken vast dat belanghebbende geen aanvraag heeft ingediend voor afgenomen kinderopvang bij [naam KOI 2] over de periode van 23 januari 2013 tot en met 18 februari 2013. Doordat belanghebbende geen melding heeft gedaan van deze opvang, heeft B/T hierover ook geen toekenningsbeschikking (kunnen) afgeven. Slechts in zeer uitzonderlijke en schrijnende situaties, die door een belanghebbende overtuigend aannemelijk moeten worden gemaakt, kan aanleiding bestaan om met toepassing van de hardheidsclausule of na een belangenafweging alsnog tot toekenning over te gaan. De Commissie stelt vast dat de ruimte voor een dergelijke afwijking beperkt is en terughoudend wordt toegepast. Het uitgangspunt blijft derhalve dat zonder (tijdige) aanvraag geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat.

In deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende geen informatie ingebracht waaruit blijkt dat voor deze kinderopvanginstelling wel een aanvraag is ingediend.

Belanghebbende heeft evenmin toegelicht dat in zijn situatie sprake is van een zeer uitzonderlijke en schrijnende situatie.

De Commissie merkt verder op dat in 2013 twee neerwaartse bijstellingen hebben plaatsgevonden. De eerste neerwaartse bijstelling vond plaats vanwege de stopzetting van de KOT vanaf 24 augustus 2013, waardoor de KOT werd verlaagd van € 2.810 naar € 1.823. De tweede neerwaartse bijstelling hield verband met een hoger toetsingsinkomen, waardoor de KOT werd aangepast van € 1.823 naar €1.727.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende vooringenomen handelen door B/T aan te nemen, noch van een zodanige hardheid in de toepassing van wet- en regelgeving dat dit tot een ander oordeel zou moeten leiden. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Hardheid van het stelsel

Belanghebbende meent dat B/T over 2013 geen rekening heeft gehouden met zijn beslagvrije voet en overige inkomensbestanddelen en dat daardoor sprake is van hardheid van het stelsel. UHT stelt dat B/T bij verrekeningen van de KOT geen rekening hoeft te houden met de beslagvrije voet, omdat KOT niet wordt beschouwd als inkomensondersteuning, maar als bevordering van de arbeidsparticipatie.

De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen valt buiten de reikwijdte van het begrip vooringenomen handelen. De Commissie is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van hardheid van het stelsel. Deze bezwaargrond treft daarom geen doel.

De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat er ook geen sprake is geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat belanghebbende ook niet in aanmerking kan komen voor een O/GS-tegemoetkoming.

Niet naar het CWS indien geen gedupeerde

Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking (1) de ouder bij wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn/haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, (2) de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en aan wie daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of (3) de ouder aan wie ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en aan wie op grond van artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. De Commissie is van oordeel dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen.

Daarom komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter