Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15652

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 10 januari 2024 (UHT-DCHO), alsmede de in de aanvullende schriftelijke beschouwingen van UHT van 6 oktober 2025 en
17 oktober 2025 besloten liggende besluiten ten aanzien van de toeslagjaren 2005 tot en met 2007, 2010 en 2012 tot en met 2019

Hoorzitting: 17 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 10 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 10 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO, zoals dit is uitgebreid met de besluiten van 6 en 17 oktober 2025, gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen, en alsnog compensatie toe te kennen voor de periode januari 2007 tot en met juli 2007 op grond van vooringenomenheid. De Commissie adviseert tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 10 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 23.338 voor het toeslagjaar 2011, maar geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Omdat belanghebbende reeds € 30.000 heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling volgde geen nabetaling.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 december 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011 en 2012. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 herbeoordeeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 6 mei 2023 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2008 en 2009.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 10 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
    € 23.338 voor het toeslagjaar 2011, maar geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Omdat belanghebbende reeds € 30.000 heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling volgde geen nabetaling.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 12 januari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 9 mei 2025 schriftelijk gereageerd.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 10 juni 2025 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 6 oktober 2025 een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend, naar aanleiding van een herbeoordeling van de toeslagjaren 2005 tot en met 2007, 2010 en 2013 tot en met 2019.
  • UHT heeft op 17 oktober 2025 een tweede aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend, naar aanleiding van een herbeoordeling van het toeslagjaar 2012.
  • Op 17 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid en omvang van het geschil

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
UHT heeft op verzoek van belanghebbende de herbeoordeling van de KOT ambtshalve uitgebreid met de toeslagjaren 2005 tot en met 2007, 2010 en 2012 tot en met 2019, en de uitkomsten daarvan kenbaar gemaakt in twee aanvullende schriftelijke beschouwingen van 6 oktober 2025 en 17 oktober 2025.

De Commissie is van oordeel dat in deze beschouwingen beslissingen ten aanzien van voormelde toeslagjaren liggen besloten die het karakter hebben van beschikkingen in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb).

Gelet op artikel 6:19 van de Awb, waarin is bepaald dat een bezwaar van rechtswege mede betrekking heeft op een beschikking die de bestreden beschikking wijzigt, intrekt of vervangt, wordt het bezwaar geacht zich ook uit te strekken tot de desbetreffende

beschikkingen die besloten liggen in voormelde aanvullende schriftelijke beschouwingen. Gelet op het voorgaande merkt de Commissie deze beschikkingen aan als onderdeel van het geschil.

Overwegingen ten aanzien van het bezwaar en de bestreden beschikkingen

Procedurele bezwaren

Inzage onderliggende dossier
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 17 juli 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt, behoudens het hierna overwogene, dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Uit het procesverloop blijkt dat UHT op 6 oktober 2025 en 17 oktober 2025 aanvullende schriftelijke beschouwingen, met bijbehorende producties, heeft overgelegd die – hoewel zij betrekking hadden op de zaak – niet ter inzage waren gelegd. In zoverre is sprake van een schending van artikel 7:4, lid 2, van de Awb. Belanghebbende heeft evenwel de gelegenheid gekregen om haar standpunt tijdens de hoorzitting nader toe te lichten. De Commissie is van opvatting dat belanghebbende door deze gang van zaken niet in haar processuele belangen is geschaad. Het namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaar kan derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2006 en 2007

De Commissie ziet zich, mede gelet op de nadere precisering van het bezwaar, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2006 en 2007, af te wijzen, nu de overige jaren, blijkens het verhandelde ter zitting, niet meer in geschil zijn.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2006
Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2006. Zij stelt dat de trage behandeling van haar aanvraag voor KOT wijst op vooringenomenheid van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid of van hardheid in de handelwijze van B/T.

De Commissie stelt vast dat B/T naar aanleiding van de KOT-aanvraag met ingangsdatum 1 november 2006, belanghebbende bij brief van 7 februari 2007 heeft verzocht om aanvullende informatie te verstrekken. Belanghebbende heeft daarop op 19 februari 2007 per antwoordformulier de jaaropgave en de facturen over de maanden november en december 2006 aan B/T toegezonden. Vervolgens heeft B/T op 6 april 2007 het volledige voorschot KOT overgemaakt aan de kinderopvanginstelling X. De latere neerwaartse bijstelling van de KOT, van € 2.134 naar € 2.044, hield verband met een verhoging van het toetsingsinkomen.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2006 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest.

Daarbij merkt de Commissie op dat het verzoek om toekenning van KOT over het toeslagjaar 2006 door B/T, anders dan belanghebbende stelt, met de nodige voortvarendheid is behandeld, en dienaangaande niet kan worden gesproken van een onredelijk lange behandelingstermijn. Voor zover over dit toeslagjaar een terugvordering heeft plaatsgevonden, is deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van een te hoog voorschot dat op basis van een reguliere bijstelling opnieuw is berekend. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2007
Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2007. Zij stelt dat de trage behandeling van haar aanvraag voor KOT wijst op vooringenomenheid van B/T.

UHT stelt in de aanvullende schriftelijke beschouwing van 6 oktober 2025 dat belanghebbende door de lange duur van de verwerking van haar aanvraag voor KOT over het jaar 2007 in financiële problemen is geraakt en dat er aldus sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. Volgens UHT kan echter niet worden vastgesteld of belanghebbende voldeed aan de vereisten van “doelgroeper” zoals volgt uit artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (hierna: Wko). Belanghebbende ontving in 2007 een bijstandsuitkering, maar volgens UHT staat niet vast dat zij daarnaast werkzaamheden heeft verricht. Daarmee, zo stelt UHT, is sprake van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond.

De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2, van de Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

De Commissie oordeelt dat UHT er niet in is geslaagd aan de op haar rustende bewijslast te voldoen en overweegt daartoe als volgt. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat belanghebbende, in het kader van haar bijstandsuitkering, via de Gemeente Rotterdam gedurende een periode van zes maanden werkzaamheden heeft verricht bij de Belastingdienst. De Commissie acht deze verklaring navolgbaar en ziet geen aanleiding om aan het waarheidsgehalte van deze verklaring te twijfelen.

Aangezien belanghebbende per 1 november 2006 KOT heeft aangevraagd, is het aannemelijk dat toen haar werkzaamheden aanvingen. Dit betekent dat belanghebbende in ieder geval tot en met april 2007 heeft gewerkt en derhalve over deze periode kan worden aangemerkt als “doelgroeper” zoals uiteengezet in artikel 1.6 van de Wko. UHT heeft haar stelling dat belanghebbende in 2007 niet werkzaam zou zijn geweest op geen enkele wijze met bewijsstukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. De Commissie is concluderend van opvatting dat UHT op basis van de voorhanden zijnde gegevens en hetgeen ter zitting is aangevoerd, niet geslaagd is in het bewijs dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Dat betekent dat de door UHT zelf aangenomen “vooringenomenheid”, als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.1 van de Wht, toepasselijk is.

Voorts merkt de Commissie op dat op grond van artikel 1.6, lid 5, van de Wko, ouders die stoppen met werken gedurende drie maanden recht behouden op KOT. Dit betekent dat het recht van belanghebbende op KOT in dit geval doorloopt tot en met juli 2007.

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om alsnog compensatie toe te kennen voor de periode januari tot en met juli van het toeslagjaar 2007 op grond van vooringenomenheid. Het bezwaar is in zoverre gegrond.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag deels ontkennend beantwoordend, gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO, alsmede de beslissingen in de aanvullende beschouwingen van 6 en 17 oktober 2025 (voor zo ver nog onderdeel van het geschil), adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie en advies

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 10 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO, alsmede de beslissingen in de aanvullende schriftelijke beschouwingen van 6 en 17 oktober 2025, voor zover nog onderdeel van het geschil, gedeeltelijk gegrond te verklaren en om;
  • alsnog compensatie toe te kennen voor de periode januari tot en met juli van het toeslagjaar 2007 op grond van vooringenomenheid en de bestreden beschikking in zoverre te herroepen;
  • het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter