Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15648

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 december 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 25 november 2025

Overdracht advies aan UHT: 23 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding voor de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 december 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010 is gebleken van fouten met betrekking tot toeslagjaar 2009 en dat belanghebbende daarom recht heeft op een compensatiebedrag van € 9.548 (UHT-DCH) (dit is aangevuld tot € 30.000 op grond van de Catshuisregeling).

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 28 februari 2023 is belanghebbende meegedeeld dat hij, in het kader van de eerste toets, vooralsnog geen recht heeft op een betaling van €30.000.
  • Op 21 juli 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2008 en 2010 geen herstelregeling van toepassing is. Voor het toeslagjaar 2009 is de compensatieregeling wel van toepassing.
  • Op 25 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Bij brief van 14 december 2023 is het bestreden besluit genomen.
  • Bij brief van 19 december 2023 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • Op 27 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 26 november 2025 heeft gemachtigde aanvullende stukken ingediend. Op dezelfde dag heeft de behandelend ambtenaar hierop gereageerd.
  • Op 5 december 2025 heeft gemachtigde meer aanvullende stukken en gronden van bezwaar ingediend.
  • Op 9 december 2025 heeft UHT hierop gereageerd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Schending motiveringsbeginsel

Belanghebbende heeft gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De Commissie is van oordeel dat UHT door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) en overige producties alsnog het bestreden besluit voldoende heeft onderbouwd. Gelet op deze omstandigheden is de Commissie van oordeel dat de schending van het motiveringsbeginsel gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Ontbrekende stukken

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Equality of arms

De Commissie oordeelt als volgt. UHT heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Deze stukken onderbouwen de beslissing die UHT met het bestreden besluit heeft genomen. Hieruit volgt dat zowel belanghebbende als UHT de beschikking hebben over de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd. Daarmee is voldaan aan het beginsel van equality of arms.

Automatische continuering

Belanghebbende heeft gesteld dat hij door de automatische prolongatie van de KOT in 2010 in de problemen is gekomen. Hij acht deze gang van zaken dan ook onzorgvuldig. De Commissie begrijpt dat de automatische toekenning van de KOT vragen oproept bij belanghebbende, maar ziet in deze gang van zaken geen aanknopingspunt voor institutioneel vooringenomen handelen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).

Toeslagjaar 2007

Belanghebbende heeft aangegeven dat ten onrechte toeslagjaar 2007 niet is herbeoordeeld.

In de schriftelijke beschouwing is aangegeven dat voor toeslagjaar 2007 geen KOT is aangevraagd noch zijn er stukken overgelegd waaruit blijkt dat er gekwalificeerde opvang is afgenomen. De Commissie heeft onvoldoende reden om te twijfelen aan het standpunt van UHT en adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeelde toeslagjaren 2008

Belanghebbende heeft betoogd dat hij ook gecompenseerd moet worden voor het toeslagjaar 2008, omdat er institutioneel vooringenomen is gehandeld jegens hem. Hij is van mening dat er namelijk wel opvang is afgenomen. In dat kader heeft hij in bezwaar een ondertekende en van een nieuwe datum voorziene plaatsingsovereenkomst en een rekeningoverzicht overgelegd waaruit blijkt dat er twee betalingen van € 5.500 en € 3.000 zijn overgemaakt naar gastouder [naam], waarbij de eerste betaling is voorzien van de omschrijving ‘kinderopvang 2008’.

De Commissie is van oordeel dat B/T (aantoonbaar) voldoende heeft uitgevraagd. Op 8 maart 2011 en 21 maart 2011 is belanghebbende gevraagd de jaaropgave 2008, de overeenkomst met het gastouderbureau, betalingsbewijzen en facturen te overleggen om zijn recht op KOT te kunnen beoordelen. Belanghebbende heeft deze stukken niet toegestuurd. Nadat het recht op KOT voor 2008 op nihil is gesteld heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt. Op 29 juni 2011 is belanghebbende gevraagd de jaaropgave 2008 te overleggen. Aan dit verzoek heeft belanghebbende eveneens geen gehoor gegeven. Bij beslissing op bezwaar van 14 februari 2013 is het bezwaar ongegrond verklaard, omdat belanghebbende niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd.

De Commissie is van oordeel dat uit de geschetste omstandigheden blijkt dat belanghebbende herhaaldelijk is gevraagd om gegevens te overleggen en hij dat heeft verzuimd. Dit betekent dat B/T het recht van belanghebbende op KOT voor 2008 op nihil mocht beschikken. Dat belanghebbende in de onderhavige bezwaarprocedure alsnog betaalbewijzen en een nieuwe plaatsingsovereenkomst heeft overgelegd, maakt het voorgaande niet anders.

De commissie stelt vast dat de terugvordering van de KOT over 2008 haar grondslag vindt in het feit dat B/T op basis van de destijds beschikbare gegevens niet kon vaststellen dat belanghebbende recht had op KOT. Dit betreft een toepassing van het toen geldende wettelijke kader en kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. Dat belanghebbende in onderhavige bezwaarprocedure alsnog aanvullende gegevens heeft overgelegd waaruit het recht op KOT mogelijk wél kan worden afgeleid, maakt niet dat B/T destijds vooringenomen heeft gehandeld.

Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

2010

In de aanvullende beschouwing heeft UHT aangegeven belanghebbende voor 2010 te gaan compenseren op basis van de hardheidsregeling. De Commissie adviseert dienovereenkomstig te beslissen in de beslissing op bezwaar.

Compensatieberekening (2009)

In de schriftelijke beschouwing is aangegeven dat een aantal componenten onjuist is vastgesteld en dat recht bestaat op volledige compensatie voor een bedrag van €22.955 (anders dan in het bestreden besluit is vermeld).

De Commissie adviseert dit aan te passen in de beslissing op bezwaar. Component o is ook onjuist vastgesteld maar wordt niet aangepast, omdat het (onjuist) gehanteerde bedrag in het voordeel is van belanghebbende. De Commissie adviseert dienovereenkomstig te beslissen in de beslissing op bezwaar.

Immateriële schadevergoeding

De vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade bij de beslissing op bezwaar opnieuw moet worden vastgesteld.

Aanvullende vergoeding van 1 procent

De aanvullende vergoeding van 1 procent moet in de beslissing op bezwaar over een hoger subtotaal worden berekend dan het geval is in de definitieve compensatiebeschikking.

Proceskostenvergoeding

Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn en op onderdelen leiden tot herroeping van de bestreden beschikking, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bestreden besluit te herroepen zoals hiervoor is aangegeven;
  • de overige bezwaren ongegrond te verklaren;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter