Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15637

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 2 september 2022 met kenmerk UHT-HD CWS

Hoorzitting: 14 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 14 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 oktober 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014.
  • UHT heeft met het besluit “vooraankondiging compensatie kinderopvangtoeslag” van 30 december 2020 met kenmerk UHT-VC I aan belanghebbende het compensatiebedrag vastgesteld op € 13.807. De compensatie ziet op toeslagjaar 2012.
  • UHT heeft met de definitieve beschikking tegemoetkoming O/GS van 30 december 2020 met kenmerk UHT-O OGS B voor toeslagjaar 2013 een tegemoetkoming toegekend van € 4.607.
  • UHT heeft met de definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van 30 december 2020 met kenmerk UHT-DC-I A voor de toeslagjaren 2013 en 2014, met uitzondering van de maand september 2013, geen compensatie toegekend vanwege vooringenomenheid dan wel hardheid.
  • UHT heeft bij besluit van 1 februari 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende voor toeslagjaar 2012 het definitieve compensatiebedrag vastgesteld op een bedrag van € 18.414. Vanuit de Catshuisregeling wordt de compensatie aangevuld tot een bedrag van € 30.000.
  • Belanghebbende heeft op 5 augustus 2021 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 juni 2022 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij besluit van 2 september 2022 met kenmerk UHT-HD CWS (hierna: het bestreden besluit) aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend van € 3.751.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 26 juli 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 22 april 2025 schriftelijk gereageerd het bezwaarschrift.
  • Belanghebbende is uitgenodigd voor de hoorzitting van 14 april 2026 en is zonder tegenbericht niet verschenen.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet zij dan goed onderbouwen.

In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeenstemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewisplicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedingsrecht. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van CWS heeft gevolgd.

De Commissie overweegt dat belanghebbende heeft aangevoerd dat de toegekende aanvullende schadevergoeding onvoldoende recht doet aan het door haar en haar kinderen geleden leed als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij stelt dat de gevolgen diepgaand en blijvend zijn en dat zij nog steeds hinder ondervindt, mede omdat zij op een zogenoemde zwarte lijst heeft gestaan.

De Commissie stelt voorop dat het aan belanghebbende is om de gestelde schade, alsmede het causaal verband tussen die schade en de kinderopvangtoeslagproblematiek, aannemelijk te maken.

Uit de stukken blijkt dat in de compensatieberekening al een bedrag van € 8.000 aan immateriële schadevergoeding is toegekend op grond van de bestaande forfaitaire compensatieregelingen. Daarnaast heeft UHT in de aanvullende beschouwing van 22 april 2025 de vergoeding voor immateriële schade verhoogd van € 16.500 naar € 21.250, in verband met de toepassing van het per 1 juli 2024 geldende schadekader van de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Hiermee is al in ruimere mate rekening gehouden met de immateriële gevolgen van de kinderopvangtoeslagproblematiek.

Ten aanzien van de gestelde schade wegens de vernietigde inboedel overweegt de Commissie dat uit de stukken blijkt dat de inboedel verloren is gegaan na de ontruiming van de woning in 2016. De Commissie stelt echter vast dat de problemen met de KOT eerst op een later moment concreet tot een terugbetalingsverplichting hebben geleid, te weten vanaf 7 november 2017 en bovendien voor een relatief beperkt bedrag van € 530. Nu de ontruiming al eerder heeft plaatsgevonden, acht de Commissie het niet aannemelijk dat sprake is van een causaal verband tussen de toeslagproblematiek en het verlies van de inboedel.

Ten aanzien van de gestelde toekomstige tandartskosten overweegt de Commissie dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten in causaal verband staan met de kinderopvangtoeslagproblematiek. Daarbij neemt de Commissie in aanmerking dat niet is gebleken dat het stopzetten van tandartszorg het gevolg is geweest van de toeslagproblemen. Voorts is de financiële impact van de toeslagproblematiek, mede gelet op de relatief beperkte terugbetalingsverplichting, onvoldoende om dit te verklaren. Daarnaast ontbreekt een medische onderbouwing, bijvoorbeeld van een tandarts, waaruit de noodzaak en omvang van de gestelde toekomstige kosten blijkt. Evenmin is aangetoond dat belanghebbende vóór het ontstaan van de toeslagproblemen wel verzekerd was voor tandheelkundige zorg.

De Commissie overweegt dat belanghebbende haar stelling dat de aanvullende schadevergoeding ontoereikend is, onvoldoende heeft geconcretiseerd en niet met verifieerbare gegevens of stukken heeft onderbouwd. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van aanvullende schade die voor vergoeding in aanmerking komt.

Ten aanzien van de stelling dat belanghebbende op een zwarte lijst heeft gestaan, overweegt de Commissie dat, daargelaten de vraag in hoeverre dit is komen vast te staan, het op de weg van belanghebbende ligt om aannemelijk te maken dat en op welke wijze dit heeft geleid tot concrete schade die in causaal verband staat met de kinderopvangtoeslagproblematiek en die niet al in de compensatie is begrepen.

Nieuw schadekader

De Commissie stelt vast dat tijdens deze bezwaarprocedure inmiddels het schadekader is geactualiseerd. De Commissie herinnert UHT eraan bij het voorbereiden en nemen van de beslissing op bezwaar alsnog te bezien of en zo ja in hoeverre het nieuwste schadekader tot een voor belanghebbende gunstiger uitkomst leidt.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en bij het nemen van de beslissing op bezwaar nog rekening te houden met het schadekader dat op 22 december 2025 is geactualiseerd.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter