BAC 2025-15625
Publicatiedatum 01-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 8 mei 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 13 november 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 8 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit van 4 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHO in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 4 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHO.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.329 voor het jaar 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2011 en 2013 tot en met 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2012. In overleg met belanghebbende is het verzoek gewijzigd naar de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 3 april 2024, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.322.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2009, 2011, 2013 tot en met 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.329 voor het jaar 2010 wegens vooringenomenheid en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2011 en 2013 tot en met 2016.
- Gemachtigde heeft op 29 mei 2024 bezwaar ingediend tegen deze beschikking.
- UHT heeft op 27 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 13 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Verzoek om herbeoordeling
Ter zitting heeft belanghebbende verzocht om de toeslagjaren 2005 en 2006 mee te nemen in de herbeoordeling. UHT heeft ter zitting toegezegd dit verzoek intern neer te leggen bij de juiste afdeling. De Commissie stelt vast dat de omvang van het onderhavige geschil is beperkt tot de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016 en dat de toeslagjaren 2005 en 2006 buiten het onderhavige geschil vallen.
Equality of arms en volledig dossier
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over zijn volledige dossier en verzoekt specifiek om de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) en de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarbij merkt de Commissie op dat het beginsel van equality of arms in de bezwaarfase geen zelfstandige rol speelt (vgl. ABRvS 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3391). Op grond van artikel 7:4, tweede lid, Awb heeft belanghebbende echter wel recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan de hoorzitting.
Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 17 juli 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt verder uiteen te zetten. Verder merkt de Commissie op dat UHT de verzochte stukken aan het dossier heeft toegevoegd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Automatische continuering
Belanghebbende stelt dat de wijze waarop Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) om is gegaan met de automatische continuatie van de KOT onzorgvuldig is. Zij stelt dat onvoldoende waarborgen in het systeem zijn ingebouwd, waardoor betalingsproblemen hebben kunnen ontstaan bij terugvorderingen over eerdere toeslagjaren. Dit was het geval bij belanghebbende over de toeslagjaren 2011, 2013 en 2016. Volgens belanghebbende had van B/T verwacht mogen worden dat de KOT alleen automatisch verlengd werd als daarvoor aanwijzingen waren in de KOI-viewer en dat deze gegevens, of andere gegevens die B/T tot haar beschikking had, als basis zouden hebben moeten dienen voor de berekening van het voorschot.
De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatische gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoer gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Hoogte compensatiebedrag
Belanghebbende voert aan dat zij het niet eens is met de hoogte van het compensatiebedrag. UHT heeft in haar beschouwing de compensatieberekening gecontroleerd en uiteengezet dat twee componenten onjuist zijn berekend. Deze componenten worden hieronder behandeld.
Vergoeding immateriële schade (component n)
Belanghebbende is het niet eens met de berekening van de vergoeding voor immateriële schade. Zij is van mening dat zij meer immateriële schade heeft geleden dan waarvoor zij is gecompenseerd.
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing toegelicht dat zij uit is gegaan van de verkeerde start- en einddatum. Als startdatum voor de vergoeding voor immateriële schade is 1 februari 2012 gehanteerd. Dit had 26 oktober 2011 moeten zijn aldus UHT. Als einddatum is 27 mei 2024 gehanteerd. Dit had 8 mei 2024 moeten zijn. UHT stelt dat het verschil in start- en einddatum geen invloed heeft op de toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, aangezien de vergoeding voor immateriële schade is afgetopt op het schadebedrag onder component e.
Met betrekking tot de berekening van de vergoeding voor de immateriële schade onderschrijft de Commissie het standpunt van UHT, dat de hoogte van deze component is gemaximeerd op de hoogte van component e. De Commissie overweegt dat de startdatum in het nadeel van belanghebbende is en de einddatum in het voordeel van belanghebbende is. Zou de juiste periode zijn gehanteerd dan was sprake geweest van een extra half jaar, waarover de vergoeding voor immateriële schade wordt berekend. De Commissie constateert evenwel dat vanwege de maximering tot het niveau van het schadebedrag onder component e het hanteren van de juiste start- en einddatum niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade voert. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding gemiste KOT (component o)
UHT heeft in de bijlage compensatieberekening toegelicht dat de rentevergoeding over gemist KOT onjuist, maar in het voordeel van belanghebbende is berekend op € 815. UHT stelt dat de rentevergoeding berekend had moeten worden op € 811. UHT stelt dat de verkeerde berekening in het voordeel is van belanghebbende en is voornemens de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT in stand te laten.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT. De Commissie adviseert UHT om de rentevergoeding over gemiste KOT in stand te laten.
Aanvullende vergoeding 1%
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat de aanvullende vergoeding van 1% ook gewijzigd dient te worden. De Commissie stelt vast dat de vergoeding van 1% geen invloed heeft op de hoogte van het compensatiebedrag. Om die reden adviseert de Commissie om de aanvullende vergoeding van 1% in stand te laten en het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaar-procedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCHO af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHO, ongegrond te verklaren en geen proceskosten-vergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter