Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15623

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 30 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH

Hoorzitting: 10 november 2025

Overdracht advies aan UHT: 20 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bestreden besluit gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT), hierna het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van in totaal € 30.000,- voor het jaar 2014. Voor de jaren 2011 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2019 is geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij vooraankondiging op 16 juni 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.555,- voor het toeslagjaar 2014 en op basis van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.605,- voor het toeslagjaar 2014.
  • Belanghebbende heeft op 6 mei 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 31 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 10 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vragen of:

  • UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2019 af te wijzen;
  • UHT de toegekende compensatie over het toeslagjaar 2014 op de juiste wijze heeft berekend.

Afgewezen toeslagjaren

Bij het bestreden besluit heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2019 geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS kwalificatie.

UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing van 31 maart 2025 de genoemde toeslagjaren ambtshalve getoetst en zij heeft daarbij geconcludeerd dat belanghebbende over deze toeslagjaren niet in aanmerking komt voor compensatie.

Ter zitting geeft belanghebbende aan dat de problemen startten in 2012. Dat was het jaar waarin het écht mis ging. Belanghebbende stelt dat voor het jaar 2012 geen compensatie is toegekend, terwijl zij alle benodigde informatie heeft aangeleverd. Dit blijkt ook uit een brief waarin belanghebbende aangeeft dat zij de jaaropgave nogmaals toestuurt. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft vooringenomen gehandeld door de KOT te verlagen, terwijl er een verschil was van ongeveer € 7.000,- tussen de aanvraag en de gegevens in KOI-viewer. Dat de B/T de jaaropgave door een mogelijke fout of gebreken in de ontvangst ervan niet heeft verwerkt, komt voor rekening van de B/T. UHT stelt dat de B/T dit gebrek heeft hersteld door belanghebbende volledig tegemoet te komen na haar ingediende bezwaar.

De Commissie constateert dat belanghebbende op 3 september 2014 bezwaar heeft ingediend tegen bovenstaande verlaging. Bij dit bezwaar heeft belanghebbende de jaaropgave meegestuurd. Op 26 februari 2015 kreeg belanghebbende een brief van de B/T waarin stond dat de B/T volledig aan haar bezwaar tegemoetkwam. De hoogte van de KOT is op die datum hersteld. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende de aan haar ter beschikking staande rechtsmiddelen met succes heeft benut en dat B/T het gebleken gebrek binnen een half jaar heeft hersteld. Van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel over het jaar 2012 is volgens de Commissie dan ook geen sprake. Dit laat onverlet dat de Commissie de gevoelens van onmacht van belanghebbende, zoals zij die heeft verwoord tijdens de hoorzitting begrijpt en erkent. Zij begrijpt dat dat de terugvorderingen twee jaar na toekenning en uitbetaling van de KOT deze heftige impact hebben gehad op belanghebbende.

Met betrekking tot de overige jaren maakt de Commissie op dat de neerwaartse bijstellingen deze jaren zijn gebaseerd op wijzingen in het aantal opvanguren, een hoger gezamenlijk toetsingsinkomen en een stopzetting die door belanghebbende is doorgegeven. Dit zijn reguliere wijzigingen die de B/T mocht doorvoeren. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel geen recht op compensatie op grond van de Wht. De Commissie heeft geen aanknopingspunten in het dossier gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

Voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2019 is naar het oordeel van de Commissie niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T, hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS kwalificatie. Zij acht de bezwaren ongegrond.

Automatische continuering KOT

Volgens belanghebbende is de automatische continuering onzorgvuldig geweest en kan deze zorgvuldiger door een aantal waarborgen in te bouwen om te voorkomen dat burgers in de financiële problemen komen. Het ontbreken van een vorm van controle werkt die problemen in de hand, aldus belanghebbende. Hier is sprake van een vorm van hardheid welke compensatie met zich mee behoort te brengen. Dit bezwaar slaagt niet volgens de Commissie. Overeenkomstig artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna Awir) vloeit genoemde automatische continuering voort uit het stelsel van de toeslagwetgeving waarbij een aanvraag mede wordt geacht te zijn voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. Toekenning en uitbetaling van toeslagen als de KOT is naar zijn aard een grootschalig proces waarbij van de burger/aanvrager van KOT verwacht alert te zijn op veranderingen in zijn of haar situatie. Om deze reden acht de Commissie dit deel van het bezwaar ongegrond.

Beoordeling compensatieberekening

Tussen partijen is niet in geschil dat de B/T over het toeslagjaren 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH een compensatiebedrag van € 8.605, - aangevuld tot €30.000, - toegekend aan de hand van een compensatieberekening.

UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing ambtshalve de compensatieberekening getoetst en zij heeft daarbij geconcludeerd dat de bedragen bij de berekening van de diverse onderdelen voor het jaar 2014 onjuist zijn vastgesteld. Het gaat om de componenten:

  • n) de immateriële schadevergoeding;
  • o) de rente gemiste KOT; en
  • p) de aanvullende vergoeding 1% over het subtotaal.

UHT heeft toegezegd deze bedragen in de beslissing op bezwaar te zullen aanpassen.

De Commissie komt niet tot een ander oordeel, acht de berekening van UHT juist en zal in lijn hiermee adviseren.

Procedurele bezwaren: onvolledig dossier, motiveringsbeginsel en equality of arms

Belanghebbende heeft in bezwaar gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, dat het dossier onvolledig is en dat het beginsel rechtsbeginsel equality of arms is geschonden. De Commissie is van oordeel dat het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd en berust op alle beschikbare documenten in het bezwaardossier.

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder het informatie- en beoordelingsformulier, RKT-bestanden, betaal-en verrekenoverzichten - en andere producties, meent de Commissie dat belanghebbende hiermee beschikt over de op de zaak betrekking hebbende stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. De Commissie heeft geen aanleiding gevonden om te concluderen dat belanghebbende in haar (proces)belangen is geschaad. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en bijwonen van de hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen (wegingsfactor twee).

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • de compensatieberekening in de beslissing op bezwaar als volgt aan te passen:
  • de vergoeding voor immateriële schade (component n) te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar;
  • de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) opnieuw te berekenen met inachtneming van artikel 27 Awir;
  • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal (component p) van het compensatiebedrag aan te passen;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van twee procespunten met wegingsfactor twee.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter