BAC 2025-15611
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 mei 2023 en 19 mei 2023 met de volgende kenmerken: UHT-DCHA en UHT-O OGS B
Hoorzitting: 16 september 2025
Overdracht advies aan UHT: 6 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende aanvullende bezwaarschrift is gericht tegen twee door UHT genomen beschikkingen, te weten:
- de definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 3 mei 2023, met kenmerk: UHT-DCHA;
- de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld van 19 mei 2023, met kenmerk: UHT-O OGS B.
Aan belanghebbende is op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2009 wegens vooringenomenheid dan wel op basis van de hardheidsregeling. Voor de jaren 2007 tot en met 2009 heeft belanghebbende wél recht op een tegemoetkoming wegens Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS), ter hoogte van € 30.000.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2010. In overleg met de persoonlijke zaaksbehandelaar is dit verzoek aangepast naar de jaren 2006 tot en met 2009.
- Met de brief van 3 juli 2021 is aan belanghebbende een vergoeding van € 30.000 toegekend.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 21 april 2023 haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat in de jaren 2006 tot en met 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Wel adviseerde zij dat voor de jaren 2007 tot en met 2009 een O/GS-tegemoetkoming dient te worden toegekend, aangezien belanghebbende ten onrechte is beschuldigd van opzet of grove schuld.
- UHT heeft met de eerste bestreden beschikking van 3 mei 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat er voor de jaren 2006 tot en met 2009 geen recht bestaat op compensatie vanwege vooringenomenheid dan wel hardheid.
- UHT heeft met de tweede bestreden beschikking van 19 mei 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij voor de jaren 2007 tot en met 2009 recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming van € 6.727. Aangezien belanghebbende reeds een vergoeding van € 30.000 heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling vindt er geen nabetaling plaats.
- Belanghebbende heeft op 30 juni 2023 een inleidend bezwaarschrift naar UHT gestuurd. Gemachtigde heeft bij brief van 12 maart 2025 het bezwaar tegen de beschikkingen van 3 en 19 mei 2023 aangevuld.
- UHT heeft op 26 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 16 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is een verslag opgemaakt, dat als bijlage bij dit advies is gevoegd.
- Op 30 september 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht.
- Op 29 oktober 2025 heeft gemachtigde op de aanvullende beschouwing gereageerd.
- Op 25 november 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht.
- Dit advies is uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of op juiste en deugdelijke gronden is besloten om het verzoek van belanghebbende tot compensatie dan wel tegemoetkoming op grond van de hardheidsregeling over de jaren 2006 tot en met 2008 af te wijzen.
De Commissie gaat op toeslagjaar 2009 verder niet in, nu gemachtigde tegen de twee neerwaartse correcties geen bezwaren naar voren heeft gebracht.
Toeslagenjaren 2006 tot en met 2008
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de jaren 2006 tot en met 2009 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, dan wel dat het stelsel in die jaren te hard is uitgevoerd. De Commissie merkt het volgende op:
Voor het toeslagjaar 2006 heeft B/T geen neerwaartse correcties op het voorschot KOT doorgevoerd. Alleen al om die reden komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie. De toekenning van een voorschot van € 9.768 is te verklaren aan de hand
van het aanvraagformulier, waarin kinderopvang is aangevraagd voor R. Nsangu (BSN: 2477.87.188). Uit het LIC-overzicht van 2006 blijkt dat de KOT is uitbetaald op het rekeningnummer van belanghebbende.
In het toeslagjaar 2007 heeft B/T tweemaal verzocht om facturen van de afgenomen kinderopvang. Aangezien daarop geen reactie is ontvangen, is de KOT uiteindelijk op nihil gesteld. Het bezwaar van belanghebbende tegen deze nihilstelling is wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De KOT van € 9.768 is destijds uitbetaald aan belanghebbende. De Commissie ziet dan ook geen aanwijzingen dat sprake is geweest van (identiteits)fraude. Uit het LIC-overzicht van 2007 blijkt dat het teruggevorderde bedrag van € 9.768 door belanghebbende is voldaan via verrekeningen en terugbetalingen.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2008 heeft belanghebbende op het antwoordformulier van 25 september 2009 aangegeven geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang. Naar aanleiding daarvan zijn beschikkingen afgegeven op 22 maart 2010, 8 april 2010 en 21 april 2011. Tegen deze beschikkingen is geen bezwaar aangetekend, hetgeen wél voor de hand had gelegen, aangezien belanghebbende stelt dat haar twee kinderen in dat jaar opvang hebben genoten en zij destijds studeerde. De KOT van € 9.768 is in 2008 eveneens uitbetaald op het rekeningnummer van belanghebbende. Ook voor dit jaar ziet de Commissie geen aanwijzingen van (identiteits)fraude. Uit het LIC-overzicht blijkt dat belanghebbende de terugbetaling grotendeels heeft verricht via maandelijkse aflossingen van hoofdzakelijk € 407.
De hiervoor genoemde bijstellingen over de jaren 2006 tot en met 2008 zijn in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving uitgevoerd. Dergelijke correcties geven in beginsel geen recht op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie ziet in het geval van belanghebbende geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Hoewel de Commissie kennisneemt van de stelling dat belanghebbende laaggeletterd is, constateert zij dat dit de effectieve uitoefening van haar rechtspositie in eerdere procedures met B/T niet in de weg heeft gestaan. De ingevulde antwoordformulieren, brieven en bezwaarschriften van belanghebbende zijn dan weliswaar niet in foutloos of vloeiend Nederlands opgesteld, de boodschap is echter inhoudelijk begrijpelijk. Ook uit de toelichting tijdens de hoorzitting blijkt dat belanghebbende, met behulp van een Franse tolk en bijstand van de gemachtigde, in staat is geweest haar standpunten adequaat naar voren te brengen.
Gelet hierop ziet de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat belanghebbende door haar beperkte taalvaardigheid in haar bezwaar is geschaad.
De Commissie adviseert de UHT dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Tot slot zal de Commissie nog ingaan op de niet-herbeoordeelde toeslagjaren in de eerste bestreden beschikking.
Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende stelt dat het verzoek tot herbeoordeling door UHT te beperkt is opgevat, aangezien zij ook over de jaren 2005 en 2010 tot en met 2013 KOT heeft ontvangen.
Omdat belanghebbende laaggeletterd is, had UHT het verzoek niet mogen inperken. Deze jaren dienen dan ook alsnog door UHT te worden beoordeeld. UHT heeft in de beschouwing van 26 juni 2025 aangekondigd aan dit verzoek te zullen voldoen en dat belanghebbende over de jaren 2005 en vanaf 2010 alsnog zal worden onderworpen aan een integrale beoordeling. Tijdens de hoorzitting van 16 september 2025 is met UHT afgesproken dat een aanvullende beschouwing, voorzien van het (aanvullende) ouderdossier dat betrekking heeft op de nog ontbrekende jaren, aan de Commissie zou worden toegezonden. Op 30 september 2025 heeft de Commissie deze stukken ontvangen. De gemachtigde heeft hierop op 29 oktober 2025 gereageerd. UHT heeft vervolgens op 25 november 2025 daarop gereageerd.
Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling, zoals hier aan de orde, betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin B/T daarover een beschikking heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt.
De Commissie merkt op dat belanghebbende heeft verzocht om een integrale beoordeling van de jaren 2005 tot en met 2010. Op het informatie- en beoordelingsformulier heeft de persoonlijk zaaksbehandelaar bij het oorspronkelijke herbeoordelingsverzoek de opmerking toegevoegd: “SAS: 2006 tot en met 2013”. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is het verzoek vervolgens, zonder nadere toelichting, beperkt tot de jaren 2006 tot en met 2008. In het ouderverhaal is bovendien opgenomen dat belanghebbende laaggeletterd is, zodat de Commissie daaruit heeft afgeleid dat het verzoek tot herbeoordeling door UHT te beperkt in behandeling is genomen.
De Commissie stelt in deze bezwaarprocedure vast dat UHT alsnog de ontbrekende jaren heeft beoordeeld, onder verwijzing naar de aanvullende beschouwing en het bijgevoegde ouderdossier, en daarmee het verzoek tot herbeoordeling heeft uitgebreid met de jaren 2005 en 2010 tot en met 2019. UHT had deze jaren ook in de bestreden beschikking moeten opnemen. Gelet op het verbod van getrapte besluitvorming in bezwaar zal de Commissie UHT adviseren de herbeoordeling van het jaar 2005 en de jaren 2010 tot en met 2019 in de beslissing op bezwaar op te nemen. Indien deze herbeoordeling ertoe leidt dat belanghebbende ook voor andere jaren als gedupeerde wordt aangemerkt, gaat de Commissie ervan uit dat UHT het bestreden besluit zal herroepen en een proceskostenvergoeding zal toekennen. De Commissie verzoekt UHT, gelet op het voorgaande, bij het nemen van de beslissing op bezwaar rekening te houden met het ingenomen standpunt van de gemachtigde, zoals beschreven in de reactie van 29 oktober 2025 en de daaropvolgende reactie van UHT van 25 november 2025.
Gelet op het voorgaande verklaart de Commissie het bezwaar tegen de eerste bestreden beschikking ongegrond.
O/GS-tegemoetkoming
De Commissie stelt vast dat gemachtigde tegen de tweede bestreden beschikking van 19 mei 2023 geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd. UHT heeft in de beschouwing de hoogte van de O/GS-tegemoetkoming gehandhaafd op € 6.727. De Commissie ziet geen aanleiding om dit bedrag als onjuist aan te merken en verklaart het bezwaar op dit punt dan ook ongegrond.
De Commissie verklaart het bezwaar tegen de tweede bestreden beschikking ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter